Longread: Queer en dakloos

“Deze personen zijn driedubbel kwetsbaar”

Leestijd: 6 min

Slechts een handjevol opvangplekken is in Nederland toegespitst op dak- en thuisloze lhbtq jongeren. Maar aparte aandacht voor die groep is juist hard nodig, stellen onderzoekers en professionals.

“Dakloze jongeren, die zijn er toch niet in Nederland?” Na zeven jaar als coördinator bij Don Bosco Straatvisie, dat in Amsterdam activiteiten voor dak- en thuisloze jongeren organiseert, hoort Linda Wassink die opmerking nog steeds regelmatig vallen bij familie en bekenden. Het geeft in één zin weer hoeveel onwetendheid er is rondom dakloosheid. Want de cijfers liegen er niet om. In 2019 waren er zo’n 9400 dak- of thuisloze jongeren (tussen 18 en 27 jaar) volgens het Centraal Bureau voor Statistiek. Daarbovenop komen naar schatting 4000 personen onder de 18. Maar: je ziet ze niet, zegt Wassink. Een van haar medewerkers en tevens ervaringsdeskundige, die liever niet met naam in de media wil, licht toe: “Veel dakloze jongeren slapen op opvangplekken, of bij vrienden op de bank. Of ze gaan ’s nachts uit. Vaak gaan ze overdag gewoon naar school of werk.” En, vult Wassink aan: ze doen er alles aan om er goed uit te zien. Dat sluit niet aan bij het stereotype van de ‘man met een halveliterblik bier in het park’, zegt ze.

Ondertussen neemt het aantal daken thuisloze jonge mensen volgens verschillende instanties elk jaar toe. Het percentage lhbtq personen binnen die groep is vermoedelijk hoger dan je op basis van gemiddelde bevolkingscijfers mag verwachten. Onderzoeken in Groot-Brittannië en de VS komen uit op 20 tot 24 procent. In Nederland is het onduidelijk om hoeveel mensen het precies gaat: er wordt op opvangplekken niet geregistreerd op seksualiteit of genderidentiteit.

Bovendien blijven veel jongeren er om veiligheidsredenen in de kast. Alleen al daaruit blijkt dat deze groep meer aandacht nodig heeft. Dakloze lhbtq personen zijn ‘driedubbel kwetsbaar’, zo concludeerde kennisinstituut Movisie in een onderzoek uit 2020, op verzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Niet alleen hebben zij geen (vaste) verblijfplaats, daarnaast worstelen ze regelmatig met zelfacceptatie en de band met hun familie, van wie zij vaak voor onderdak of financieel afhankelijk zijn. Het komt, ook bij stabiele thuissituaties, geregeld voor dat een kind vanwege zijn seksualiteit of genderidentiteit uit huis wordt gezet. Of dat een kind zelf vlucht omdat het thuis onveilig is. Daarbovenop komt dat lhbtq personen minder veilig zijn op opvangplekken. Pesten, geweld en misbruik komen voor. En de hulpverleners hebben niet altijd genoeg kennis over lhbtq-problematiek. Dat kan leiden tot ‘handelingsverlegenheid’. ‘Hulpverleners zeggen vaak dat lhbtq-zijn voor hen oké is, waarmee de kous voor hen af lijkt’, constateerden de onderzoekers.

onwetendheid

Joy Falkena, belangenbehartiger bij Straat Consulaat Den Haag, herkent het beeld dat door Movisie geschetst wordt. Falkena adviseert de gemeente bij de aanpak van dakloosheid samen met een team van ervaringsdeskundigen. Van hen hoort ze al veertien jaar lang verhalen uit de praktijk.

“Veel hulpverleners zijn simpelweg niet bezig met iemands seksualiteit of genderidentiteit: als de jongeren het geheimhouden, bedenken ze vaak niet dat iemand lhbtq kan zijn. Soms kunnen hulpverleners er niet omheen, bijvoorbeeld wanneer het de reden is voor hun dakloosheid. Maar als dat niet zo is, snappen ze vaak niet dat queer-zijn mee kan spelen bij iemands problemen.” Zo hebben lhbtq personen een grotere kans op depressie, suïcidaliteit en verslaving.

“Hulpverleners hebben de beste bedoelingen”, benadrukt Falkena. “Maar het ontbreekt hen soms aan kennis. ‘Loop er niet mee te koop’, zeggen ze dan bijvoorbeeld, ‘je moet zorgen dat de anderen je niet pesten.’ Of: ‘Je mag je wel kleden als meisje, maar alleen op je kamer.’” Movisie biedt gratis e-learnings aan rond het onderwerp, maar volgens Laura Griffin, die zich bij de organisatie bezighoudt met inclusie en diversiteit, is er nog steeds behoefte aan meer informatie.

Het onderzoek meldde ook dat het aantal jonge daklozen de jaren ervoor ‘enorm gegroeid’ was en verwachtte dat de coronacrisis die groei zou versterken. De cijfers na 2019 spreken elkaar echter tegen, zegt Griffin. “In 2021 stelde het CBS dat het aantal jonge daklozen was gehalveerd. Daar heeft Valente, de branchevereniging voor organisaties die zich richten op kwetsbare mensen, vraagtekens bij geplaatst. Zo zijn thuisloze mensen niet meegenomen bij de berekening van het CBS.” Als je thuisloos bent, heb je geen vaste verblijfplaats en slaap je bijvoorbeeld bij familie of vrienden. Dakloos betekent dat je ook geen tijdelijk adres hebt. Je overnacht dan bijvoorbeeld op straat, in je auto of op opvangplekken. Mensen die nergens geregistreerd staan, zijn door het CBS dus niet meegeteld. “In 2022 zag het Leger des Heils juist een stijging van 50 procent onder jonge daklozen. Het is dus moeilijk te zeggen hoe het precies zit. Maar met de huidige inflatie en woningcrisis lijkt een toename mij waarschijnlijker dan een afname”, zegt Griffin. Ook alle hulpverleners die Winq voor dit artikel spreekt, zeggen in de afgelopen jaren een toename te hebben gemerkt. Griffin: “Vergeet ook de lockdowns niet. Die leidden tot een stijging van huiselijk geweld, baanverlies en hoger middelengebruik. Mensen die nog in de kast zaten, moesten hun ware identiteit 24/7 verborgen houden.”

lhbtq-opvang

In het onderzoek pleit Movisie voor voldoende veilige, kleinschalige opvanglocaties voor dakloze lhbtq personen. Momenteel zijn er, voor zover publiekelijk bekend, maar een paar op die doelgroep toegespitste locaties in Nederland, en niet buiten de vier grote steden. Na publicatie van het onderzoek riep het COC toenmalig staatssecretaris Paul Blokhuis van VWS op, om snel te zorgen voor goede opvang voor deze groep. Inmiddels is Blokhuis opgevolgd door Maarten van Ooijen. Zijn woordvoerder laat aan Winq weten dat in de behoefte aan meer privacy en veiligheid in de opvang deels wordt voorzien door één- en tweepersoonskamers, die er nu meer zijn dan drie jaar terug. Ook is in december 2022 het Nationaal Actieplan Dakloosheid gelanceerd, dat ‘onder meer aandacht vraagt voor de lhbtq-doelgroep’, bijvoorbeeld door acties rond het ontwikkelen van gender- en doelgroepsensitief aanbod.

Dat plan is niet gericht op het creëren van meer opvangplekken, maar op preventie van dakloosheid en Wonen Eerst: een in andere landen succesvol gebleken systeem waarin een eigen woonplek het startpunt van herstel vormt. “Ook voor de lhbtq-doelgroep geldt – net als voor alle andere dakloze mensen – dat we toewerken naar een situatie waarin verblijf in een opvanginstelling niet nodig is, maar mensen direct een eigen veilige woonplek krijgen, al dan niet met begeleiding.” Plannen voor meer aparte opvanglocaties zijn er om die reden niet, laat Van Ooijens woordvoerder desgevraagd weten.

Een van de bestaande lhbtq-panden is dat van De Tussenvoorziening in Utrecht, dat kwetsbare mensen in de regio begeleidt. Daar is plek voor vier mensen. De organisatie richtte het pand twee jaar geleden op omdat medewerkers merkten dat lhbtq personen in de reguliere opvang vaak niet zichzelf kunnen zijn. “Een man met feminiene kenmerken kan het in het normale leven al moeilijk hebben, laat staan daar”, geeft begeleider Larissa Chantre als voorbeeld. Want iets als ‘vredige naastenliefde’ bestaat er niet, vult haar collega Minke Fischer aan. Chantre en Fischer – manager van Belle Hulpverlening, een onderdeel van De Tussenvoorziening dat zich op (voormalig) sekswerkers richt – zien veel onderlinge discriminatie in de opvang. Die is geworteld in een bepaalde overlevingsdrang: wie het hardst schreeuwt, geniet het meeste aanzien. “Maar al schreeuw jij nog zo hard terug,” zegt Fischer, “het doet pijn als je wordt aangevallen op wie je bent.” Jongeren die dak- of thuisloos raken, komen vaak in ‘ongewenste afhankelijkheidsrelaties’ terecht. Chantre: “Sekswerk kan bijvoorbeeld een middel worden om een dak boven je hoofd te krijgen.” Ook het ontbreken van sociale zekerheid, opleiding, werk of postadres kan bestaande problemen versterken. En dan is er nog de wooncrisis. Jongerenwoningen zijn er tot 27 jaar. “Voor veel mensen is het onmogelijk om daarna een nieuwe woning te vinden of te betalen. Zij worden opnieuw dakloos”, zegt Linda Wassink van Don Bosco. Haar ervaringsdeskundige collega wijst op drank- en drugsgebruik, dat vaak op straat of in de opvang ontstaat. “Vaak wordt gedacht dat jongeren dakloos raken dóór verslaving, maar meestal gaan zij pas gebruiken nadat ze het dak boven hun hoofd verliezen. Om zichzelf te verdoven, of door invloed van anderen.”

Meer lhbtq-opvangplekken zijn niet de oplossing voor al die problemen, maar het zou een stap in de goede richting zijn, denkt Joy Falkena. Al ziet zij zo’n plek niet als einddoel. “In een ideale wereld is zo’n locatie niet nodig. Maar wel zolang we in de reguliere opvang geen veiligheid kunnen garanderen. Nu zijn we qua kennis en aandacht simpelweg niet ver genoeg.”

Powered by Labrador CMS