Theatermaker Daniël Cohen: “In de trein naar Londen begint mijn vakantie al”
Over ontspannen reizen en queer theater in zijn favoriete stad
Theatermaker Daniël Cohen reist drie tot vier keer per jaar naar Londen om zich dagenlang onder te dompelen in toneel en musicals. Het liefst stapt hij daarvoor in de Eurostar. Ook omdat de reis hem iets zeldzaams gunt: een paar uur waarin helemaal niets hoeft.
Wie met Daniël Cohen naar Londen reist – al reist hij liever in z’n eentje – moet niet rekenen op lange ochtenden in bed of een middag waarop de plannen wegens lichte vermoeidheid worden geschrapt. De maker van onder meer Willem & Frieda en de Nederlandse bewerking van tick, tick... BOOM! bezoekt de Britse hoofdstad ongeveer vier keer per jaar. Meestal blijft hij zes dagen en ziet hij acht voorstellingen. Vakantie, jazeker. Maar wel met een speelschema.
de kunst van het onderweg zijn
Dat schema begint al in Nederland, op het moment dat Cohen in de Eurostar stapt. Voor hem is de trein meer dan het benodigde vervoermiddel om in Londen te komen. “De vakantie begint eigenlijk al tijdens de reis. Wat ik het grote voordeel vind van reizen met de trein, is dat het zó veel ontspannender is dan met het vliegtuig.”
Hij neemt boeken en muziek mee, hoewel die lang niet altijd uit zijn tas komen. “Ik merk dat ik heel vaak gewoon een beetje neutraal uit het raam zit te staren. Eigenlijk sta ik mezelf dat alleen toe in de trein. Het is gewoon zitten en zijn, met het idee: ik zit niet te niksen, want ik ben onderweg. Dat werkt bij mij heel goed.” Gelegitimeerd niksen dus, een luxe waar Cohen in het dagelijks leven te weinig aan toe komt.
geen strandmens
Vliegen heeft voor Cohen een ingebouwde stressfactor. Ruim van tevoren op de luchthaven zijn, controles, vloeistoffen in onhandig kleine verpakkingen: nog voordat de reis goed en wel is begonnen, voelt het alsof je er al een stressvolle reis op hebt zitten. “En als je naar Londen vliegt, ben je er na de landing nog niet. Vanaf Heathrow moet je nog minstens drie kwartier tot een uur reizen voordat je echt in het centrum bent. Het ideale van Eurostar is dat je midden in Londen aankomt. Dan hop je op de tube en ben je snel waar je wil zijn.”
Ook het milieu speelt mee. Cohen weet dat helemaal niet meer vliegen voor hem niet haalbaar is, maar probeert het wel zo weinig mogelijk te doen. En hoewel een vliegticket op het eerste gezicht goedkoper kan lijken, verandert dat beeld zodra de reis naar de luchthaven, vervoer vanaf Heathrow en eventuele bagagekosten erbij komen. Cohen is bovendien bereid iets meer uit te geven aan comfort. “De reis is niet alleen een middel om ergens te komen, maar een belangrijk deel van het plezier. Daarom vind ik het ook de moeite waard om een ruime stoel voor mezelf te hebben.”
Het past bij de manier waarop hij naar reizen kijkt. Stuur hem vooral niet naar een strand met als opdracht zeven dagen te ontspannen. “Daar ben ik veel te onrustig voor. Na een halve dag strand heb ik het wel gezien. Ik vind het juist fijn om dingen te doen.” In Londen betekent dat: kijken, luisteren, vergelijken en ideeën verzamelen. Officieel noemt hij het werkresearch. Heel geloofwaardig klinkt dat ook, totdat hij toegeeft hoe ontzettend graag hij dit ‘werk’ doet.
een britse liefde die nooit overging
Zijn band met Engeland begon lang voordat hij professioneel theater maakte. Na de middelbare school ging Cohen Engels studeren, uit liefde voor de taal en cultuur. In zijn eerste studiejaar sloot hij zich aan bij The In-Players, een Engelstalig theatergezelschap in Amsterdam met vooral expats die voor werk of liefde in Nederland waren beland.
Wat begon als een manier om zijn Engels te verbeteren, werd al snel het begin van zijn theatercarrière. Cohen ging bij The In-Players spelen en later regisseren. “Gaandeweg ontdekte ik: dit is wat ik met mijn leven wil doen. Daar vond ik echt mijn roeping.” Ook de Angelsaksische manier van werken maakte indruk: respect voor de tekst, personages en mensen achter de schermen. “Engeland en mijn werk zijn enorm met elkaar verbonden.”
Aan spontaniteit doet Cohen heus wel, al plant hij die bij voorkeur wel van tevoren in. “Ik ben echt zo’n obsessief type. Ik volg op Instagram alle belangrijke theaters in Londen. Als er een productie wordt aangekondigd waarbij ik denk: o, wauw, die wil ik zien, boek ik meestal lang van tevoren een kaartje. Daar bouw ik de rest van de reis omheen.”
Voor de nieuwe musicalversie van Pride in het National Theatre maakte hij een uitzondering, noodgedwongen. De voorstelling was al maanden uitverkocht, maar Cohen bleef de kaartverkoop controleren. “Ik heb de afgelopen weken echt iedere dag obsessief zitten refreshen. Uiteindelijk kwam er een kaartje beschikbaar dat iemand had teruggebracht. Ik ben zó blij dat ik hem kan zien.”
Toen hij de film Pride zag, over de solidariteit tussen lhbtiqa+-activisten en stakende mijnwerkers in de jaren tachtig, dacht hij al dat er een musical in zat. “Ik heb zelfs iemand bij Stage Entertainment, waar ik destijds veel vertalingen voor deed, gemaild: jullie moeten die film zien, want hier zit iets in. Nooit meer wat van gehoord. En nu denk ik: zie je wel.”
meer ruimte voor queer verhalen
Dat raakt direct aan zijn eigen werk. Voor Willem & Frieda verdiepte Cohen zich in Willem Arondéus en Frieda Belinfante, die tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken waren bij de aanslag op het Amsterdamse bevolkingsregister. Hun namen bleven lang in de schaduw. “In de geschiedenisboeken werd vooral Gerrit van der Veen genoemd. Dat men na de oorlog niet zo veel zin had om queer personen te noemen, heeft daar natuurlijk mee te maken. Ik vind het belangrijk dat theater queer verhalen blijft vertellen.”
Wie Londen binnenkort bezoekt, kan volgens Cohen beter een goed theater kiezen dan zich blindstaren op één titel. Het National Theatre staat hoog op zijn lijst, met drie uiteenlopende zalen en ruimte voor toneel én musical. Ook het kleine Donmar Warehouse is een favoriet. “Daar heb ik zulke bijzondere dingen gezien: Sweet Charity, The Band’s Visit en Cabaret.”
Ook tipt hij het Almeida Theatre, waar experimenteel toneel en musicals naast elkaar bestaan. In het Bridge Theatre kan de opstelling per productie totaal veranderen. Tijdens Guys & Dolls stond een deel van het publiek tussen platforms die uit de grond omhoogkwamen. Nu ziet Cohen er Simon Stones moderne The Oresteia. “Het is een soort Succession, maar dan gebaseerd op een Griekse tragedie. Iedere keer kom je in een andere omgeving terecht. Dat is enorm inspirerend.”
Wat Cohen vooral bewondert, is dat Britse theaters zich minder strak aan genres en culturele rangen lijken te houden. In Nederland bestaat volgens hem nog een hardnekkige scheiding: toneel geldt als hoge kunst, musical als commercieel amusement. In Londen doet het National Theatre net zo makkelijk Hadestown, programmeert het Bridge Theatre zowel Shakespeare als Guys & Dolls en combineert het Almeida klassiek toneel met nieuwe musicals.
“Die scheiding tussen hoge en lage kunst bestaat daar veel minder. Het is opener en vrijer. We moeten niet zo angstvallig vasthouden aan het idee dat musical commercieel en dus minderwaardig zou zijn. Laten er maar cross-overs zijn. Laat ITA maar eens een musical doen.” Aletta van Theater Oostpool vindt hij een geslaagd Nederlands voorbeeld.
een pleidooi voor het experiment
Londen biedt bovendien iets wat Cohen in Nederland mist: kleine podia waar makers nieuw werk kunnen uitproberen, zonder dat onmiddellijk alles op het spel staat. Southwark Playhouse is zo’n plek, met nieuwe interpretaties van bestaande musicals en ruimte voor beginnende makers. “Als we het genre in Nederland serieus willen nemen, moet er een plek zijn waar je dingen kunt testen en op je bek mag gaan. Ze zeggen weleens: een musical wordt niet geschreven, maar herschreven. Het is nooit de eerste keer meteen goed. Je moet het voor publiek zien om te ontdekken wat werkt en wat niet.”
Ook het Londense publiek valt hem op. Het luistert scherp en is gemêleerder dan in veel Nederlandse zalen. “Je ziet veel meer jonge mensen en veel meer mensen van kleur. In Nederland bestaat het theaterpubliek toch vooral uit mensen met grijze haren.”
een stad die blijft verrassen
Hoewel zijn reizen grotendeels om voorstellingen draaien, bestaat Londen voor Cohen niet alleen uit foyers en pluchen stoelen. De klassieke toeristische attracties kan hij inmiddels overslaan. Hij heeft in de stad een vriendenkring opgebouwd, met wie hij luncht, tussendoor gaat eten of samen een voorstelling bezoekt. Na afloop tot drie uur ’s nachts in een gayclub staan, gebeurt minder vaak. Niet uit plotselinge braafheid, maar omdat de volgende ochtend alweer een nieuwe wijk, afspraak of matinee wacht.
“Ik vind het leuker om ’s middags naar Soho te gaan, koffie te drinken of Gay’s the Word binnen te lopen, de queer boekhandel. Ook ga ik graag naar Queer Britain, het onlangs geopende museum.” Daarnaast ontdekt hij buurten die niet vanzelf op het toeristische programma belanden, van Richmond tot Brixton. “Elke wijk heeft zijn eigen karakter. Zo wordt het plaatje van Londen voor mij langzaam steeds completer.”
nieuwe plannen
Ook zijn volgende eigen theaterproject kan voortkomen uit die voortdurende uitwisseling tussen Amsterdam en Londen. Cohen denkt samen met producent Opus One, Maarten Voogel en DeLaMar na over nieuw theater rond de queer community. Hoog op zijn verlanglijst staat een voorstelling over Jacob Israël de Haan, schrijver van Pijpelijntjes, wiens woorden op het Homomonument zijn vereeuwigd. Na producties over Albert Mol en Willem Arondéus en Frieda Belinfante zou De Haan een derde deel van een los drieluik kunnen vormen. Eerst wacht alweer een volgende Londense theatermarathon. Eind september of begin oktober stapt Cohen al opnieuw in de Eurostar. Twee voorstellingen heeft hij al geboekt, de rest van het schema moet hij nog eromheen bouwen. En voordat in Londen het doek opgaat, krijgt hij in de trein eerst een paar uur om uit het raam te kijken.
Met dank aan: Ruby Hotels.