Waarom mannelijke slachtoffers van seksueel geweld vaak zwijgen
“Echte mannen worden niet verkracht“
Een half miljoen mannen per jaar is slachtoffer van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Toch zwijgen de meesten. Hoe komt het dat mannen zichzelf niet als slachtoffer herkennen – zelfs wanneer duidelijke grenzen zijn overschreden?
Tien jaar geleden werd Thomas Garrod-Pullar (35) verkracht. Hij was uitgegaan en daarna meegelopen naar het huis van een man die hij die avond had ontmoet; een man aan wie hij eerder die week al duidelijk had gezegd geen seks te willen. Eenmaal binnen pakte de man een glas GHB en goot het in de mond van Thomas, tegen zijn wil. Toen Thomas bijkwam, lag hij in een vreemd bed. Hij begreep direct wat er was gebeurd; dat zijn nee was genegeerd, dat hij onder invloed was gebracht en misbruikt. Maar zijn vrienden, aan wie Thomas het daarna vertelde, hadden niet de woorden om te begrijpen wat hij beschreef, laat staan om hem daarin te steunen. In zijn omgeving was er weinig begrip. Reacties waren vaak onhandig, of bagatelliserend.
Thomas is allesbehalve een uitzondering. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek is ongeveer één op de drie slachtoffers van seksueel grensoverschrijdend gedrag man. Uit de meest recente Prevalentiemonitor van het CBS blijkt dat 7,4 procent van alle volwassen Nederlandse mannen in het afgelopen jaar slachtoffer was van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Grof omgerekend: een half miljoen mannen per jaar, in Nederland alleen.
Zo groot als de aantallen zijn, zo klein is de ruimte om erover te praten. Dat contrast intrigeert Lisa van Osch, gz-psycholoog verbonden aan het Landelijk Psychotraumacentum en coördinator van het Centrum Seksueel Geweld Utrecht.
“slachtoffers gaan twijfelen door lichamelijke reactie: misschien wilde ik het toch, misschien zegt dit iets over mijn seksuele identiteit”
“In mijn werk zie ik dit dagelijks”, zegt ze. “Maar voor de buitenwereld kunnen die aantallen echt schrikbarend zijn.” Wat maakt het zo moeilijk voor mannen om over hun ervaringen te spreken? Van Osch wijst op een diepgeworteld geheel van verwachtingen: “Er heerst een gedachte: echte mannen worden niet verkracht. Ze zijn toch het sterke geslacht?” Die sociale norm schept een klimaat waarin slachtofferschap simpelweg niet past in het beeld van mannelijkheid. Gevolg: schaamte, schuld, en stilte.
Toch is het maatschappelijke gesprek over mannelijke slachtoffers van seksueel geweld schaars. De verhalen ontbreken. De hulpverlening sluit vaak niet aan. En de mannen zelf? Die zwijgen, vaak jarenlang. Juist dat bracht Thomas er uiteindelijk toe MenAsWell op te richten, een expertisecentrum voor mannelijke slachtoffers van seksueel geweld.
Sam Piggott (30, hen/hun), zelf slachtoffer, werkzaam in het Amsterdamse nachtleven en peer support werker bij MenAsWell, herkent dat patroon van binnenuit. “Je hoort weleens dat mannen ook lijden onder het patriarchaat. Dit is daar een heel duidelijk voorbeeld van,” zegt hen. “Mannen wordt verteld dat ze zich niet als slachtoffer of als zwakkeling mogen uiten. Zelfs wanneer we weten dat er hulp is, vinden we het alsnog moeilijk om die op te zoeken.” Thomas ziet het dagelijks bij MenAsWell: mannen die worstelen met schaamte, schuldgevoelens, zelfverwijt en isolatie. De rode draad is volgens hem bijna altijd hetzelfde. “Een groot deel daarvan is geworteld in mannelijkheid. We worden geconditioneerd om verantwoordelijk te zijn voor onszelf, voor onze gezondheid, ons lichaam. En als dat dan misgaat, voelen mannen dat als persoonlijk falen.”
een lichamelijke reactie betekent geen toestemming
Er is nog een dimensie die mannen extra kwetsbaar maakt voor twijfel aan de eigen ervaring: de lichamelijke respons. Bij één op de vijf mannelijke slachtoffers treedt tijdens seksueel misbruik een erectie of ejaculatie op; een reflexmatige, biologische reactie die niets zegt over toestemming of verlangen, maar die voor het slachtoffer zelf lang niet altijd zo voelt. Die lichamelijke reactie zorgt voor enorme verwarring, legt Van Osch uit. Mannen gaan twijfelen aan hun eigen beleving: misschien wilde ik het toch, misschien zegt dit iets over mijn seksuele identiteit. En een pleger kan daar bewust op inspelen. “Zie je wel, je kreeg ook een erectie, dus je vond het wel lekker. Dat soort dingen worden echt gezegd.”
Christopher Tearno, verpleegkundig specialist GGZ&AGZ, tevens als traumatherapeut verbonden aan MenAsWell, bevestigt: “Dit zijn de details die mannen het allermoeilijkst vinden om te delen. Juist omdat ze zichzelf erdoor in de war brengen.”
Daarmee hangt samen wat wetenschappers de freeze-respons noemen: het bevriezen van lichaam en stem tijdens een traumatische situatie. Van Osch: “In zeventig procent of meer van de gevallen kan er sprake zijn van verlamming door angst, waardoor er geen nee gezegd kan worden.” Mannen leren dat ze zichzelf hadden moeten verdedigen. Als dat niet gebeurt, leggen ze de schuld bij zichzelf.
Die drempel wordt nog hoger wanneer er alcohol of drugs in het spel zijn, ziet Tearno regelmatig in zijn praktijk: “Ze denken: ik was er zelf bij, ik had al wat op. Dus wie ben ik dan om te zeggen dat het grensoverschrijdend was?” De eigen aanwezigheid op de plek, het eigen middelengebruik wordt dan door slachtoffers aangegrepen als bewijs van medeverantwoordelijkheid. Terwijl het juridisch en moreel duidelijk is: wie niet helder kan instemmen, kan ook geen toestemming geven.
victim blaming maakt seksueel geweld moeilijker bespreekbaar
Thomas beschrijft hoe hij na zijn verkrachting zijn vrienden erover vertelde en hoe de reacties hem soms meer pijn deden dan het voorval zelf. Sommige mensen in zijn omgeving deden zijn verhaal af als iets wat er nu eenmaal bij hoort. “Dit is best normaal in de gayscene,” kreeg hij te horen. “Wat jij hebt meegemaakt stelt eigenlijk niet zo veel voor, hoor.” Tearno herkent een vergelijkbaar patroon in zijn praktijk, ook wel aangeduid als het lucky boy effect: mannen die te horen krijgen dat ze eigenlijk blij mogen zijn met de aandacht die ze kregen. “Dat soort grapjes worden nog altijd gemaakt,” zegt hij. “Klagen terwijl je zo in trek bent? Kom op zeg.”
Victim blaming – de neiging om de schuld bij het slachtoffer te leggen in plaats van bij de dader – werkt bij mannen anders dan bij vrouwen, maar is niet minder schadelijk. Terwijl vrouwen horen: “Had je maar niet zo’n kort rokje moeten aandoen”, horen mannen: “Jij bent toch een man, dan wil je toch altijd seks?” Of: “Je had jezelf toch kunnen verdedigen?” Die boodschappen maken dat veel mannen de schuld bij zichzelf neerleggen. De gevolgen daarvan zijn meetbaar. Uit onderzoek blijkt dat een derde van de mannelijke slachtoffers het nooit aan iemand heeft verteld. Niet aan een vriend, niet aan een hulpverlener, zelfs niet aan een partner.
Er is een term voor de schade die kan ontstaan nádat iemand erover probeert te spreken: secundair trauma, soms ook wel de tweede verkrachting genoemd. Het beschrijft hoe slachtoffers opnieuw worden gekwetst, niet door de dader, maar door de reacties van mensen in hun omgeving. Niet geloofd worden, weggewuifd worden, te horen krijgen dat het niet zo erg was: die ervaringen kunnen net zo ingrijpend zijn als de oorspronkelijke gebeurtenis zelf. Thomas ervoer het aan den lijve. “Die strijd om geloofd te worden, erkend te worden als mannelijk slachtoffer maakte mijn herstel aanzienlijk zwaarder.” Mede daardoor wachten veel mannen jarenlang voordat ze hulp zoeken of doen het nooit. De drempel om iets te benoemen als grensoverschrijdend is hoog, de angst voor ongeloof of afwijzing nog hoger.
seksueel geweld binnen de queer gemeenschap
Binnen de queer gemeenschap speelt dit alles in een extra gelaagde context. Enerzijds zijn er spaces die sekspositief zijn en vrijheid centraal stellen; een verworvenheid die voor velen fundamenteel is. Anderzijds kan diezelfde sfeer het moeilijker maken om te zeggen: dit ging voor mij te ver. Sam beschrijft hoe de combinatie van een seksueel geladen omgeving en middelengebruik soms bepaald gedrag kan normaliseren. “Als je de hele tijd wordt verteld dat het er een beetje bij hoort en dat het af en toe kan gebeuren, ga je ook niet snel hulp zoeken.” Die middelen spelen daarin een dubbelzinnige rol. Want voor sommige mannen zijn ze niet alleen onderdeel van de gayscene, ze zijn een manier om überhaupt deel te kunnen nemen. Middelen worden namelijk door sommige mannen gebruikt om negatieve gevoelens rond seks – vaak na eerdere grensoverschrijdende ervaringen – te verdoven, zodat intimiteit weer mogelijk voelt. Maar die verdoving heeft een keerzijde. “Chemsex en seksueel grensoverschrijdend gedrag hangen heel nauw samen. En dat vergroot de kans dat er opnieuw iets misgaat,” stelt Tearno.
“soms zoekt iemand achteraf de verdoving op: feesten, middelen, risicovolle situaties, om maar niet te hoeven voelen”
Er is nog een risico dat zelden wordt benoemd maar vaak voorkomt: hertraumatisering. Wanneer seksueel trauma niet wordt verwerkt, omdat er niet over wordt gepraat, omdat hulp uitblijft, kunnen mensen in patronen terechtkomen die nieuwe schadelijke ervaringen in de hand werken. Soms uit zich dat in een totale vermijding van intimiteit. Sam herkent dat. “Ik ben ook een tijdje lang bijna celibatair geweest,” zegt hen. “Ik had eerst tijd nodig om uit te zoeken hoe ik mezelf beter kon beschermen.” Maar soms uit zich dat ook in het tegendeel: mannen die juist veel losse seksuele contacten aangaan, niet vanuit vrijheid maar als verdoving. Tearno: “Ze gaan die contacten aan, terwijl dat eigenlijk niet past bij wat ze echt willen. Dat kan opnieuw leiden tot seksueel trauma, maar ook tot opnieuw enorme schaamte achteraf.” Van Osch beschrijft eenzelfde beweging: “Soms zoekt iemand de verdoving op: feesten, middelen, risicovolle situaties, om niet te hoeven voelen. En juist op die plekken kunnen mensen misbruik van je maken.”
waarom gespecialiseerde hulp voor mannen nodig is
Nederland loopt internationaal achter als het gaat om gespecialiseerde opvang voor mannelijke slachtoffers. Er zijn zestien Centra Seksueel Geweld verspreid over het land, en die zijn er óók voor mannen. Maar toegankelijk zijn en toegankelijk voelen zijn twee verschillende dingen, benadrukt Thomas. De naam alleen al – Centrum Seksueel Geweld – kan voor sommige mannen een drempel zijn, zeker als ze hun ervaring nog niet als zodanig hebben benoemd. En voor homo- of biseksuele mannen speelt er nog iets anders: de angst dat een hulpverlener niet begrijpt hoe gay seks, chemsex of sekswerk verweven kunnen zijn met wat hen is overkomen. “Die zorg hoeft niet eens gegrond te zijn,” zegt Thomas. “De angst om gestigmatiseerd te worden is al genoeg om niet te gaan.”
Landen als Australië, het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Duitsland – dat laatste heeft zelfs een federaal kantoor – hebben wél genderspecifieke voorzieningen. Dat is precies wat ontbreekt: niet hulp in het algemeen, maar hulp die is afgestemd op hoe mannen trauma ervaren, benoemen en dragen. Thomas lobbyt met MenAsWell momenteel actief bij de overheid om dat te veranderen. “Op internationaal en nationaal niveau is er een mandaat”, zegt hij. “Maar we moeten de hele samenleving nog meekrijgen.”
Dichter bij huis is de verandering even urgent. Van Osch benadrukt dat hulpverleners en huisartsen het gesprek over seks moeten normaliseren – zowel de positieve als de negatieve ervaringen – en er actief naar moeten durven vragen. Komt iemand dan wél naar voren, dan is de eerste reactie doorslaggevend: geloof diegene, benoem dat het dapper is om te spreken, en maak duidelijk dat het verhaal veilig is.
Een deel van de oplossing ligt ook in de drempel naar hulp zelf. Binnen de queer community kennen veel mensen elkaar, en de angst om herkend te worden kan groter zijn dan elders. Sam pleit daarom ook anonieme vormen van hulpverlening en nazorg. “Dit verlaagt de drempel voor veel mensen om die eerste stap te zetten. Veel hulpinstanties hebben wel een geheimhoudingsplicht, maar dat neemt de angst natuurlijk niet helemaal weg.”
Naast anonieme hulp is er ook de waarde van lotgenotencontact: een ruimte waarin je niet de enige bent, en waarin geen uitleg nodig is omdat anderen hetzelfde hebben meegemaakt. MenAsWell is daar recent mee begonnen, specifiek voor mannen die seksueel geweld hebben meegemaakt.
Maar hulpverlening alleen is niet genoeg. Paneldiscussies of gesprekken over consent voeren zonder slachtoffers erbij te betrekken, werkt revictimisering in de hand, stelt Thomas. Volgens Belgisch onderzoek heeft tachtig procent van lhbtiq+-mensen ooit te maken gehad met seksueel geweld. “We moeten ruimte maken voor wat er misgaat. Want zolang we dat niet doen, zwijgen mannen. Tien jaar, twintig jaar. Of voor altijd.”
Beeld: John Back