Gastcolumn Etienne: “Hij zit niet echt in de scene”

Leestijd: 2 min

Winq-journalist Etienne Boonen schreef een column over de aantrekkingskracht van mannen die “niet echt in de scene” zitten. Waarom klinkt dat zo vaak als een aanbeveling? En wat zegt die voorkeur over mannelijkheid, schaamte en onze verhouding tot de homogemeenschap?

Hij is 1,88. Hij sport. Hij heeft geen social media. En iets later, in een bijzin: hij zit niet echt in ‘de scene’. Op de datingapps ontkom je er als homo man niet aan: op zoek naar mannelijk. Masc4Masc, voor de kenners. Ik hoor het de laatste tijd ook steeds vaker hardop, in de kroeg, op feestjes, aan de keukentafel. Vrijwel altijd voorafgegaan door een kleine obligate excuses. “Ik bedoel het niet verkeerd hoor” of “Je mag het eigenlijk niet zeggen, maar.”

Ik maak me er zelf, jammer genoeg, ook schuldig aan. Toch bleef dat ene zinnetje aan me plakken. “Niet echt in de scene”. Waarom is dat een compliment? Niemand zegt tegen een Fransman: “wat leuk joh, je hebt helemaal niks Frans!”

Ik besloot het af te pellen, laagje voor laagje.

De eerste laag is de makkelijkste: smaak. Zo voelt het tenminste. (lees: met licht defensieve stem, wijnglas in de hand) Je valt nou eenmaal op wat je valt, daar kies je niet voor. Klaar. Maar is smaak ooit helemaal onschuldig? Vraag een groep homo mannen naar hun type en er ontstaat een patroon dat toch echt te consequent lijkt voor toeval. Dus maar weer verder pellen. 

Tweede laag: de schaamte. Amerikaanse onderzoekers Francisco Sánchez en Eric Vilain legden meer dan een decennium geleden al honderden homo mannen vragenlijsten voor. 

Wat bleek? Hoe belangrijker een man mannelijkheid vond, in zichzelf en in een partner, hoe slechter hij zich voelde over zijn eigen homoseksualiteit. Lees die zin nog eens. 

De voorkeur voor masculien hangt dus samen met schaamte. Eén onderzoek is natuurlijk nog geen waarheid, maar het patroon laat zich moeilijk wegwuiven. Misschien is Masc4Masc niet altijd een type, maar soms ook een symptoom.

De derde laag, en die doet misschien een beetje pijn, noem ik de overleving. Psycholoog Ilan Meyer beschreef hoe mensen uit minderheidsgroepen opgroeien met constante, sluimerende stress. Voor veel homo jongens betekende dat: altijd op je hoede zijn. Niet te veel met polsen zwaaien, stem lager en enthousiasme gedempt. Mannelijk doen was geen kwestie van smaak, het was een overlevingsstrategie. Wat ooit veiligheid was, wordt later begeerte. Wie weet val je niet (alleen) op mannelijke mannen, maar op het gevoel van veiligheid.

Vierde laag: de afstand. Sociologen hebben er een term voor wanneer leden van een groep afstand nemen van ‘de verkeerde versie’ van hun eigen groep: defensive othering. Ik ben wel homo, maar niet zo'n extravagante Pride-homo hoor. 

En daar valt het zinnetje uit elkaar. ‘Niet echt in de scene’ betekent voor sommigen van ons dus: hij lijkt zo min mogelijk op ons. Geen Milkshake, geen handgebaren, geen 'meid' als tussenwerpsel. De green flag wordt een afstandsverklaring. Aan de scene, aan de nichten. Aan alles waar je zelf ooit voor moest wegduiken op het schoolplein.

Ik wilde stoppen met pellen, maar er zat nog één laag onder. Want wie bepaalde eigenlijk dat mannelijkheid het hoogste goed is? Niet wij zelf, toch? Dat deed de wereld die ons klein hield. Wij namen alleen de smaak over van de mensen die ons niet moesten. Dat is misschien wel het wrangste van dit alles: dat een gemeenschap die is opgebouwd uit jongens die te veel opvielen, nu in groten getale verliefd wordt op 'onopvallendheid'. De homo man die ik het vaakst begeerd zie worden, is de man die het minst homo lijkt, en ik weet niet wat ik erger vind: dat ik het zie, of dat ik het snap.

Powered by Labrador CMS