Binnenkijken in het huis van interieurontwerper Gigi Valster
“Turquoise, blauw: daar heb ik inderdaad niks mee”
Interieurontwerper Gigi Valster (33) bouwde zijn huis letterlijk naast dat van zijn ouders, op een kavel van 9000 vierkante meter in Pijnacker. Elke centimeter is doordacht, elk object heeft een verhaal. En er lopen ganzen door de tuin.
Er is weinig kleur te bespeuren in het interieur van Gigi Valster. Dat valt wel mee, vindt hij zelf. “Taupe is toch ook een kleur? Beige toch ook?” Hij houdt van zwart, wit en grijs. “Fuchsia, rood, turquoise, blauw: daar heb ik inderdaad niks mee.” Het is een interieur dat zijn eigenaar perfect weerspiegelt: minimalistisch, tijdloos, en precies goed doordacht. Tot aan de hoogte van de kledingstangen in de garderobekast, het aantal lades en de vraag of je je T-shirts horizontaal of verticaal in een lade plaatst.
van italiaanse familietraditie naar interieurontwerper
Gigi groeide op in een Italiaans gezin met een moeder die bij elke seizoenswisseling het huis ombouwde. Winterkussens eruit, zomerkussens erin, steeds een andere opstelling en een andere sfeer. “Ze heeft me daarmee een beetje geïnfecteerd”, zegt hij. Het gezin verhuisde ook regelmatig, en elk nieuw onderkomen was een nieuw project. Uiteindelijk was het een basisschoolleraar die de knoop doorhakte en aan Gigi’s ouders opperde dat Gigi interieurontwerper moest worden. Zijn ouders hadden de hotelschool voor ogen, maar toch liep het anders. Begin 2022 opende Gigi zijn eigen interieurontwerpstudio, GV Concepts.
een eigen huis naast dat van zijn ouders
Het huis waar we nu in staan, bouwde Gigi zelf, op het erf van zijn ouders. Zijn eerste echte opdracht was het interieur van hun nieuwe huis. Vervolgens ontwierp hij zijn eigen huis ernaast. Het is een keuze waar niet iedereen meteen enthousiast van wordt; naast je ouders gaan wonen. Gigi haalt zijn schouders op. “Als een potentiële date daar iets van vindt, past hij sowieso al niet bij deze familie. We zijn heel close. We zijn wat dat betreft echt een Italiaans gezin.” Het huis is volledig afgescheiden: eigen ingang, ramen aan de andere kant, en de tuin ligt buiten het zicht van zijn ouders. Een date hoeft zich hier geen moment bekeken te voelen. “Verder heb ik er nooit echt rekening mee gehouden.” Dat geldt ook voor samenwonen. Dat heeft Gigi één keer geprobeerd, een jaar lang, maar wel als LAT-relatie. Zijn vorige vriend was chef-kok: die bemoeide zich niet met het interieur, Gigi niet met de keuken. “Mijn ex zei: ‘Ik heb daar toch geen verstand van en ik vind het hartstikke mooi wat jij doet.’ Ik denk ook dat dat iets is waar je op valt.”
Het huis ademt rust, maar wie goed kijkt, ziet overal verhalen. Gigi gelooft er heilig in dat een interieur pas interessant wordt als het persoonlijk is. In de inloopkast staat een glazen kist vol oude brillen, pijpen en een kleine bijbel, allemaal van dierbaren die zijn overleden. Op het kook-eiland staat een keramische waterkan, gekregen van de opa van zijn ex, die pottenbakker was. “Ik ben er nog elke dag verliefd op als ik ernaar kijk.”
Zijn trots is een wit tafeltje in de hal, met een grote plant erop. Het was de eerste eettafel van zijn ouders. “Ik heb nog foto’s van dat zij als twintigjarigen aan dat tafeltje zitten te eten. Dat dat nu hier staat vind ik heel bijzonder: dan zie je wat zij bereikt hebben.” Die tafel gaat mee naar zijn volgende huis. De designklassiekers ook: een Utrecht-fauteuil van Gerrit Rietveld, waar hij al jaren van droomde. Verlichting van Flos, waaronder de iconische Taccia-lamp. En twee LC1-stoelen van Cassina. “De merken die ik verzamel zijn niet toevallig Italiaans”, zegt hij. Hij draagt zijn Italiaanse afkomst ook mee in zijn smaak, “Al heb ik hier geen salami’s en stroken met knoflook aan het plafond hangen.”
“mijn banken zien eruit alsof er nooit iemand op heeft gezeten”
Boven zijn bed hangt een foto van zijn oma, die hij omschrijft als een van zijn allerbeste vriendinnen. Ze stierf toen ze 63 was. De foto nam zijn opa toen het stel net samen was, en hing altijd bij hen in de woonkamer. Toen zijn opa vorig jaar ook overleed, haalde Gigi de foto naar zich toe. Aan diezelfde wand hangen twee prints die hij ooit uit een bak viste op een art fair. Hij pakte er twee uit die hij mooi vond, waarna de verkoper hem vertelde dat ze allebei van dezelfde maker waren: een Rotterdamse kunstenaar die in de jaren veertig of vijftig bekendstond als de eerste trans vrouw in Rotterdam. “Het feit dat ik gay ben en uitgerekend die prenten pak, dat vond ik heel bijzonder.” Vlak voor de fotoshoot ging Gigi met zijn moeder het huis door. “Als twee malloten”, zegt hij zelf. Maar eigenlijk is die extra schoonmaakbeurt overbodig, want het huis van Gigi is altijd opgeruimd: het bed is nooit onopgemaakt, de gootsteen staat nooit vol met vaat. “En mijn banken zien eruit alsof er nog nooit iemand op heeft gezeten.”
Dan zijn er nog de ganzen. Coco Claire en Cato-Colette, genoemd naar het neefje en nichtje van conceptueel kunstenaar Klibansky. Gigi en zijn zus kochten ze ooit bij een pluimveehouder, stopten ze in een Hermès-doos en gaven ze aan hun moeder cadeau voor Moederdag. “Dat vond zij duidelijk minder leuk dan wij.” Toch bracht de familie de ganzen groot. “Ze zijn echt enig.” De ganzen lopen nu de hele dag door de tuin en de weilanden erachter, en maken keihard lawaai tegen de tuinman. “Ze weten wie familie is en wie niet. Het schijnt beter te zijn dan een waakhond.”
Over de aankomende verhuizing is Gigi allerminst nerveus. Een groot deel van zijn meubels verhuist gewoon mee. Logisch, want hij investeert niet in snelle trends, maar in tijdloze stukken. “Ik heb zo veel mogelijk uit mijn huidige huis gecopy-pastet. Behalve de zwarte kozijnen, die vind ik tegenwoordig veel te donker. En zwarte plinten zou ik ook nooit meer doen.”