
De voorpublicatie van De kip op het spek van David Sedaris uit zijn re-release Steek je familie in de kleren in de nieuwste editie van Winq houdt plotseling op. Lees hier het complete verhaal.
De kip op het spek
Het was zo’n hotel zonder roomservice, zo’n hotel waar je je niet aan zou storen als je zelf de rekening betaalde, maar waar je over zou klagen als iemand anders betaalde. Ik betaalde de rekening niet zelf, dus de tekortkomingen sprongen nadrukkelijk in het oog en werden opgevat als even zovele bewijzen van de onverschilligheid van mijn gastheer. Er was geen bad, alleen een plastic douchecabine, en de zeep was bros en rook naar afwasmiddel. In het lampje bij het bed zat geen peertje, al had daar makkelijk genoeg iets aan gedaan kunnen worden. Ik had bij de receptie om een lampje kunnen vragen, maar ik wilde geen lampje. Ik wilde me gewoon misbruikt voelen.
Het begon toen de luchtvaartmaatschappij mijn bagage kwijtraakte. Er ging veel tijd verloren met het invullen van allerlei formulieren, zodat ik rechtstreeks van het vliegveld naar een universiteit op een uur rijden ten noorden van Manchester moest, waar ik een lezing hield voor een groep studenten. Daarna volgden een receptie en een rit van drie kwartier naar het hotel, dat midden in de rimboe lag. Ik arriveerde om een uur ’s nachts en kwam tot de ontdekking dat ze een kamer voor me hadden geboekt in het souterrain. Midden in de nacht maakte dat niet veel uit, maar ’s morgens wel. De gordijnen opentrekken was een verkapte uitnodiging om onderzoekende blikken in mijn kamer te werpen, en dat deden de mensen in New Hampshire dan ook schaamteloos. Er viel niet veel te zien, afgezien van mijn persoon, gezeten op de rand van het bed met een telefoon aan mijn oor. De luchtvaartmaatschappij had bezworen dat mijn koffer die nacht zou aankomen, maar toen dat niet bleek te zijn gebeurd belde ik het nummer dat op mijn ticket vermeld stond. Ik kon kiezen tussen mij te woord laten staan door een antwoordapparaat of wachten tot er een mens beschikbaar was. Ik koos voor de mens, maar na acht minuten in de wacht hing ik op en ging op zoek naar iemand die ik de schuld in de schoenen kon schuiven.
‘Het maakt me niet uit of het mijn zoon is, degene op wie ik gestemd heb of weet ik veel wie. Ik keur die levensstijl gewoon af.’ De spreekster was ene Audrey die het plaatselijke radiostation had gebeld om haar mening te geven. Het schandaal in de katholieke kerk was al meer dan een week voorpaginanieuws, en toen het onderwerp priesters finaal was uitgekauwd, was de discussie uitgewaaierd naar pedofilie in het algemeen en vandaar weer afgezakt naar homosexuele pedofilie, wat, daar was iedereen het over eens, de ergste soort was. Het was voor de radio zo’n lekker makkelijk onderwerp, net zoiets als belastingverhoging of massamoorden. ‘Wat vindt u van volwassen mannen die sodomie bedrijven met kinderen?’
‘Nou, daar ben ik dus tégen!’ Het werd altijd gezegd alsof het op een of andere manier opzienbarend was, een minderheidsstandpunt waar nog niemand voor uit had durven komen.
Ik had de afgelopen anderhalve week door het land gereisd en overal waar ik kwam hoorde ik hetzelfde. De gastheer feliciteerde de beller met zijn of haar morele standvastigheid, waarop die beller steevast de behoefte kreeg zich nogmaals in die goedkeuring te koesteren, en hij datzelfde standpunt nog eens, maar dan iets krachtiger en kleurrijker, onder woorden bracht. ‘Noem mij ouderwets, maar ik vind dat gewoon gigantisch fout.’ Vervolgens begonnen ze, stukje bij beetje, de woorden ‘homosexueel’ en ‘pedofiel’ door elkaar heen te gebruiken, en te oreren alsof het één pot nat was. ‘Nou heb je ze zelfs al op tv!’ zei Audrey. ‘En op de scholen! Over de kip op het spek binden gesproken.’
‘De kat,’ zei de presentator.
‘Ja,’ zei Audrey, ‘als de kat van huis is—’
‘Ik bedoel op het spek,’ zei de presentator. ‘De uitdrukking is volgens mij niet de kip op het spek binden maar de kat.’
Audrey hergroepeerde zich. ‘Zei ik de kip? Nou ja, je begrijpt wat ik bedoel. Die homosexuelen kunnen zichzelf niet voortplanten, dus gaan ze naar de scholen en proberen onze kinderen te rekruteren.’
Ik hoorde helemaal niets wat ik niet eerder had gehoord, maar ik was chagrijniger dan gewoonlijk. Opeens stond ik midden in de kamer, één sok aan en één sok uit, tegen de wekkerradio te schreeuwen. ‘Niemand heeft mij ooit gerekruteerd, Audrey. En ik heb erom gesméékt!’
Het was háár schuld dat ik in een kelderkamer zat zonder bagage, haar en al die mensen zoals zij: al die tevreden gezinnen die van de parkeerplaats naar het restaurant op de eerste verdieping trippelden, al die hotelgasten met hun bubbelbaden en kamer met uitzicht op de omringende bossen. ‘Waarom zouden we dat uitzicht aan een homosexueel verspillen? Die kijkt toch alleen maar naar het rectum van schooljongens. En een koffer? Alsjeblieft, zeg! We weten allemaal waar ze die voor gebruiken.’ Nou ja, ze zeiden het dan misschien niet, maar ze dachten het wel degelijk. Dat kon ik zien.
Het lag natuurlijk voor de hand dat als de wereld tegen mij samenspande, mijn koffiezetapparaat dan ook wel kapot zou zijn. Het stond op een plank in de badkamer, koud water te druppen. Na een korte, totaal niet bevredigende huilbui kleedde ik me verder aan en verliet de kamer. Aan het eind van de gang was een trap, met daarnaast een kleine open ruimte waar een stuk of tien oudere vrouwen op hun knieën op de grond lagen. Ze waren een quilt aan het maken van losse lappen. Toen ik langs hen liep keken ze even op, en een van hen vroeg: ‘Aaje nade kerk?’ Ze had een mond vol spelden en het duurde even voor tot mij doordrong wat ze zei – ga je naar de kerk? Dat was een rare vraag, maar toen schoot me te binnen dat het zondag was, en dat ik een das omhad. Iemand op die universiteit had mij die de vorige avond geleend, en ik had hem omgedaan in de hoop dat hij de aandacht zou afleiden van mijn overhemd, dat verkreukeld was en verkleurd onder de oksels. ‘Nee,’ zei ik. ‘Ik ga níet naar de kerk.’ O, ik was in een afgrijselijk humeur. Halverwege de trap bleef ik staan en draaide me nog eens om. ‘Ik ga nooit naar de kerk,’ zei ik. ‘Nooit. En ik ben niet van plan daar vandaag verandering in te brengen.’
‘M’best,’ zei ze.
Voorbij het restaurant en de souvenirwinkel, midden in de hal, stond een tafel met gratis koffie en andere warme dranken. Ik wilde even een beker koffie halen en die mee naar buiten nemen, maar net toen ik aan kwam lopen dook een jochie op de tafel af en begon een beker warme chocolademelk klaar te maken. Hij zag er net zo uit als al die andere jochies die ik recentelijk gezien had, op vliegvelden, op parkeerplaatsen: oversized sweatshirt met emblemen erop van allerlei sportteams, slobberbroek en opzichtige sportschoenen. Zijn horloge was dik en van plastic, het leek wel een soort jojo die aan zijn pols was vastgegespt, en zijn haar zag eruit alsof het met het deksel van een blik was afgesneden, waarna de onregelmatige lokken met gel waren bewerkt en in rare hoeken schots en scheef door elkaar gezet.
Het was een gecompliceerde aangelegenheid, zo’n beker warme chocolademelk klaarmaken. Je moest de cacaopoeder over de hele tafel verspreiden en zo veel mogelijk plastic lepeltjes gebruiken, waarbij je er terdege voor moest zorgen dat je grondig op die lepeltjes kauwde alvorens ze op de stapel ongebruikte servetten te gooien. Dat vind ik het mooie van kinderen: volledige aandacht voor het ene detail en volledige veronachtzaming van al het andere. Toen hij eindelijk klaar was schoof hij naar de koffiekan, vulde twee bekers, zwart, en deed op alle drie de bekers een deksel. De bekers werden vervolgens in een toren op elkaar gezet die voorzichtig van de tafel werd getild. ‘Hoooeeww,’ fluisterde hij. Hete chocola sijpelde onder het deksel van de onderste beker door en liep over zijn hand.
‘Moet ik je daar even mee helpen?’ vroeg ik.
De jongen keek me een ogenblik aan. ‘Ja,’ zei hij. ‘Deze moeten naar boven.’ Er volgde geen alsjeblieft of dankjewel, alleen: ‘De warme chocola draag ik zelf wel.’
Hij zette de beide bekers met koffie weer op de tafel en toen ik mijn handen ernaar uitstak kwam het bij me op dat dit misschien toch niet zo’n goed idee was. Ik was een onbekende, een homosexueel die eerlijk voor zijn geaardheid uitkwam, op doorreis in een klein stadje, en hij was, nou, zeg eens wat, een jaar of tien. En alleen. De stem van de rede fluisterde in mijn oor. Niet doen, man. Niet met vuur spelen.
Ik trok mijn handen terug, maar aarzelde toch weer. Wacht eens eventjes, dacht ik. Dat is niet de rede. Dat is Audrey, dat fanatieke wijf van de radio. De echte stem van de rede klinkt als Bea Arthur, en toen ik die niet hoorde pakte ik de bekers koffie van de tafel en droeg ze naar de lift, waar de jongen de knoppen al met zijn chocoladevingers stond in te smeren.
Een schoonmaakster kwam net langs en rolde met haar ogen naar de receptioniste. ‘Wat een schatje.’
Vóór het kerkschandaal zou ik hetzelfde hebben kunnen zeggen, maar dan zonder haar sarcastische ondertoon. Nu zouden dergelijke observaties alleen maar verdacht klinken. Audrey zou het nooit geloven, maar ik voel me lichamelijk niet tot kinderen aangetrokken. Het zijn net dieren voor mij, leuk om naar te kijken maar geen potentieel onderdeel van welke sexuele fantasie dan ook. Dat gezegd zijnde, ben ik er ook zo een die zich schuldig voelt aan misdaden die hij niet heeft gepleegd, of althans in geen jaren heeft gepleegd. Als de politie het station afspeurt op een serieverkrachter verstop ik mijn gezicht achter een krant en vraag me af of ik het misschien in mijn slaap heb gedaan. Het laatste wat ik heb gestolen was een cassettebandje, maar tot op de dag van vandaag kan ik geen winkel binnengaan zonder mij een winkeldief te voelen. Ik heb alle angsten en zorgen maar niet de gratis spullen. Om het allemaal nog net even wat erger te maken, lijkt het erop of ik ook nog eens een aanzienlijk transpiratieprobleem heb ontwikkeld. Mijn geweten staat in regelrechte verbinding met mijn zweetklieren, maar er is op een of andere manier kortsluiting ontstaan en nu breekt het zweet me uit om dingen die ik niet heb gedaan, wat mij extra verdacht doet overkomen.
Argeloos bijspringen om de last van een kind te verlichten was goed – dat wist ik – maar ik liep nog maar net met die bekers of ik was al nat van het zweet. Zoals gewoonlijk zweette ik het meest op mijn voorhoofd, onder mijn armen en, wat wel heel gemeen is, op mijn kont, wat ik trouwens ook zeer mysterieus vind. Als de stress voortduurt voel ik de druppeltjes langs de achterkant van mijn benen lopen, om uiteindelijk te worden opgevangen door mijn sokken, die van katoen zijn en expres aangeschaft om hun absorberend vermogen.
Als er een veiligheidscamera in de hal was, zou die het volgende te zien hebben gegeven: een jongen van zo’n een meter veertig, vijfenveertig, staat het liftknopje in te smeren met chocolademelk en gaat er vervolgens op staan beuken. Naast hem staat een man, misschien een centimeter of dertig langer, in een overhemd en stropdas, een beker met een dekseltje erop in beide handen. Regent het buiten? Zoniet, dan komt hij misschien net onder de douche vandaan en heeft hij zijn kleren aangetrokken zonder zich af te drogen. Zijn ogen schieten alle kanten op, hij wekt de indruk alsof hij iemand zoekt. Zou het die heer met dat zilverkleurige haar kunnen zijn? Die is net aan komen lopen, zeer parmantig in zijn tweed jasje met bijpassende pet. Hij praat tegen de jongen en legt een hand op diens achterhoofd, waarschijnlijk geeft hij hem een standje, wat goed is, want iemand moest het doen. De andere man, de natte, staat daar maar met die bekers en doet een poging met zijn mouw zijn voorhoofd te wissen. Een deksel springt los en hij morst iets – het ziet eruit als koffie – op zijn overhemd. Hij begint te springen, te steigeren bijna, en plukt het overhemd los van zijn buik. De jongen schijnt nu boos te zijn en zegt iets. De oudere man biedt hem een zakdoek aan, en de man zet een van zijn bekers neer en rent – rent letterlijk, hijgend – het beeld uit, om een halve minuut later terug te keren met een nieuwe beker met een deksel erop. Tegen die tijd is de lift er. De heer houdt de deur open en hij en de jongen wachten terwijl de man de andere beker van de vloer pakt en zich bij hen voegt. Dan gaat de deur dicht en zijn ze verdwenen.
‘En, wie hebben we hier?’ vroeg de heer. Zijn stem was joviaal en enthousiast. ‘Naar welke naam luister jij, grote vent?’
‘Michael,’ zegt de jongen.
‘Zo, dat is nog eens een grotemensennaam.’
Dat vond Michael ook. De man trof mijn blik en knipoogde, zoals mensen doen als ze met iemand aanpappen. Even die kleine in het ootje nemen, wat jij? ‘Zo’n grote kerel als jij zal wel een hoop vriendinnetjes hebben,’ veronderstelde hij. ‘Is dat zo?’
‘Nee.’
‘Niet? Wat zeg je me nou? Wat is het probleem?’
‘Weet ik niet. Heb ik gewoon niet. Verder niks,’ zei Michael.
Ik had het altijd vreselijk gevonden als mannen de vriendinnenvraag stelden. Niet alleen was dat oubollig, ze lijfden je ook nog eens in hun fantasieën in op een manier die mij privé leek. Als je ja zei maakten ze zich meteen een voorstelling van je prille verkering: het diner bij kaarslicht met hotdogs en chips, de verkreukelde Snoopylakens. Als je nee zei was je gefrustreerd, de vrijgezel die geen vrouw kon krijgen. Een en ander berustte op het idee van het kind als miniatuurvolwassene, wat ik ongeveer net zo grappig vond als een hond met een zonnebril op.
‘Er moet toch íemand zijn op wie je een oogje hebt.’
De jongen gaf geen antwoord, maar de man bleef proberen hem uit de tent te lokken. ‘Mama slaapt uit vanmorgen?’
Weer niks.
De man gaf het op en wendde zich tot mij. ‘Uw vrouw,’ zei hij. ‘Ik neem aan dat ze nog in bed ligt?’
Hij dacht dat ik de vader van Michael was, en ik liet hem in die waan. ‘Ja,’ zei ik. ‘Ze is boven… bewusteloos.’ Ik weet niet waarom ik dat zei, of misschien weet ik het ook wel. De man had een familieportretje geconstrueerd en ik schiep er behagen in dat te bezoedelen. Hier had je Michael, en de vader van Michael, en boven, met haar snufferd voorover op de vloer van de badkamer, lag moeders.
De lift stopte op de tweede verdieping en de man tikte aan zijn pet. ‘Goed,’ zei hij, ‘prettige morgen samen.’ Michael had niet minder dan twintig keer op het knopje van de vierde verdieping gedrukt, en nu gaf hij er voor alle zekerheid nog een paar porren tegenaan. We waren alleen en iets onaangenaams drong mijn gedachten binnen.
Soms, als ik in een benarde situatie verkeer, heb ik de behoefte iemands hoofd aan te raken. Dat heb ik vaak in vliegtuigen. Dan kijk ik naar degene die voor me zit, en in een mum van tijd is de gedachte aan een mogelijkheid uitgedijd tot een dwanggedachte. Ik heb geen keus – ik moet het gewoon doen. De makkelijkste methode is doen alsof ik wil opstaan, steun zoeken bij de rugleuning voor mij, en gewoon even met mijn vingers langs het haar strijken van degene die daar zit. ‘O, sorry.’
‘Geeft niks.’
Meestal sta ik dan ook daadwerkelijk op en loop naar achteren, of ga naar het toilet, waar ik dan een paar minuten blijf staan worstelen met wat ik weet dat onvermijdelijk is: ik zal het hoofd van die persoon nog een keer moeten aanraken. Uit ervaring weet ik dat je dat drie keer kunt doen voor de eigenaar van het betreffende hoofd tegen je gaat schreeuwen of er een stewardess bij roept. ‘Is er iets?’ vraagt die.
‘Volgens mij niet.’
‘O nee?’ zegt die passagier dan. ‘Die idioot zit de hele tijd aan mijn hoofd.’
‘Is dat zo, meneer?’
Het is niet altijd een hoofd. Soms moet ik een bepaald handtasje of koffertje aanraken. Toen ik nog klein was, was mijn leven een en al dwangmatigheid, maar nu praktiseer ik het alleen als ik mij in een situatie bevind waarin ik niet kan roken: vliegtuigen, zoals reeds vermeld, en liften.
Raak het hoofd van dat jochie aan, dacht ik. Die oude man deed het ook, waarom zou jij het niet kunnen?
Mezelf eraan herinneren dat zulks ongepast is maakt de aandrang in die stem alleen maar groter. Het moet gedaan worden omdát het ongepast is. Was het dat niet, dan zou het ook geen zin hebben mij er druk om te maken.
Hij hoeft het niet te merken. Raak hem nou aan, snel..
Als het een lange reis was geweest, zou ik de slag hebben verloren, maar gelukkig hoefden we niet ver. De lift kwam op de vierde verdieping aan en ik haastte me de deur uit, zette de bekers koffie op de grond en stak een sigaret op. ‘Wacht even, hoor,’ zei ik, ‘ik loop zo met je mee.’
‘Maar mijn kamer is hier vlakbij, in deze gang. En het is hier niet-roken.’
‘Weet ik, weet ik.’
‘Het is niet goed voor je,’ zei hij.
‘Dat geldt voor heel veel mensen,’ hield ik hem voor, ‘maar voor mij is het echt wél goed. Geloof mij maar.’
Hij leunde tegen een deur, pakte het niet storen-bordje van de deurknop, bekeek het even en stak het in zijn achterzak.
Ik hoefde maar eventjes te roken, maar toen ik klaar was besefte ik dat er geen asbak was. Naast de lift was een raam, maar dat zat natuurlijk potdicht. Hotels. Ze doen alles wat in hun vermogen ligt om te maken dat je het liefst uit het raam zou willen springen, en vervolgens maken ze je het springen onmogelijk. ‘Heb je je chocolademelk op?’ vroeg ik.
‘Nee.’
‘Heb je dat deksel nog nodig?’
‘Nee, niet echt.’
Hij gaf me het deksel en ik spuugde erin – wat niet makkelijk was, aangezien ik een kurkdroge mond had. Vijftig procent van mijn lichaamsvocht sijpelde uit mijn kont, de andere helft was onderweg.
‘Wat smerig.’
‘Ja, nou ja, je moet het me maar vergeven.’ Ik doofde de sigaret in mijn spuug, legde het deksel op de grond en pakte de bekers koffie. ‘Goed. Waar moeten we heen?’
Hij wees een lange gang in en ik liep achter hem aan, gekweld door een vraag die mij al jaren parten speelt. Stel dat je een baby had en dat je… dat je die gewoon moest aanraken waar je wist dat je dat eigenlijk zou moeten laten? Ik bedoel niet dat je dat zou willen. Je zou die baby net zomin begeren als je iemand begeert wiens hoofd je net hebt aangeraakt. De daad zou eerder dwangmatig zijn dan sexueel, en hoewel dat voor jou een wereld van verschil is, kun je moeilijk van een openbare aanklager, laat staan van een kind, verwachten dat die dat verschil ook ziet. Je zou een slechte ouder zijn, en als het kind eenmaal kon praten en jij hield het voor dat het er tegen niemand met een woord over moest reppen, dan zou je een manipulator worden – een monster, eigenlijk – en de redenen achter wat je deed zouden er niet meer toe doen.
Hoe dichter we bij het eind van de gang kwamen, des te onrustiger ik werd. Ik had nog geen vinger naar het hoofd van die jongen uitgestoken. Ik heb nooit een baby of een kind betast of beduimeld, dus waarom zou ik me dan zo smerig voelen? Voor een deel was dat hoe ik in elkaar zat, de diepgewortelde overtuiging dat ik een kamer in de kelder verdiende, maar voor een belangrijker, en veel akeliger deel had het te maken met die stemmen die ik op de radio hoorde, en mijn onwillekeurige neiging daar ook nog naar te luisteren. De man in de lift had niet geaarzeld Michael persoonlijke vragen te stellen of een hand op zijn achterhoofd te leggen. Omdat hij noch priester noch homosexueel was had hij niet de noodzaak gevoeld zich in acht te nemen, en had hij geen last van die angst dat elk woord of gebaar verkeerd zou kunnen worden uitgelegd. Zonder erbij na te denken kon hij door de gangen dwalen met een jongen die hij niet kende, terwijl dat voor mij zo ongeveer op een politieke daad neerkwam – een hameren op het feit dat ik net zo’n brave burger was als al die anderen. Ja, ik ben homosexueel; ja, ik ben nat van het zweet; ja, ik voel soms de aandrang het hoofd van andere mensen aan te raken, maar ik kan echt nog wel een jongetje van tien veilig naar zijn kamer begeleiden. Het zat me dwars dat ik zoiets elementairs kennelijk nog moest bewijzen. En het moest bewijzen aan mensen die ik nooit zou weten te overtuigen.
‘Hier is het,’ zei Michael. Door de deur heen hoorde ik het geluid van een televisie. Het was zo’n magazineachtig programma voor de zondagochtend, een wekelijks uurtje waarin alle nieuws goed nieuws is. De blinde Jimmy Henderson coacht een volleybalteam. Een sukkelende bosmarmot krijgt een kunstheup aangemeten. Dat soort dingen. De jongen stak zijn sleutelkaart in de gleuf en de deur ging open. De kamer was helder en fraai gemeubileerd. Hij was twee keer zo groot als de mijne, met hogere plafonds en een zithoek. Eén raam omlijstte een uitzicht op het meer, in het andere zag ik een bosje rode esdoorns.
‘O, ben je daar?’ zei een vrouw. Dat was duidelijk de moeder van de jongen: ze hadden hetzelfde profiel, een voorhoofd dat bijna onmerkbaar overging in een platte, sproetige neus. Beiden hadden ook piekerig blond haar, hoewel dat in haar geval waarschijnlijk niet zo was bedoeld, maar meer het resultaat was van de kussens die ze achter haar hoofd had opgestapeld. Ze lag in een hemelbed, een van de vele brochures te bestuderen die op het dekbed lagen uitgespreid. Naast haar lag een man te slapen en toen ze sprak bewoog hij en deed een arm voor zijn gezicht. ‘Waar bleef je zo lang?’ Ze keek naar de deur en sperde haar ogen open toen ze mij zag. ‘Wie…’
Aan het voeteneind van het bed lag een gele kamerjas. De vrouw draaide haar rug naar me toe, stond op en schoot die jas aan. Haar zoon wilde de bekers koffie van me overnemen, maar ik verstrakte mijn greep, ik wilde niet opgeven wat ik als mijn rekwisieten was gaan beschouwen. Ik was dan wel een vreemde, maar die bekers maakten in elk geval nog een vriendelijke vreemde van me, en ik had al voor me gezien hoe ik ze vasthield terwijl zijn ouders tegen me van leer trokken en op hoge toon vroegen wat dit te betekenen had.
‘Geef maar aan mij,’ zei hij, en in plaats van een scène te maken ontspande ik mij. De bekers koffie werden van me overgenomen en ik voelde mijn vastberadenheid wegzakken. Met lege handen was ik niet meer dan een griezel, een enge natte vent die uit de kelder naar boven was komen kruipen. De vrouw liep naar de kast en terwijl de deur al dichtging riep ze nog iets. ‘Ho,’ zei ze, ‘wacht even.’ Ik draaide me om, klaar om het gevecht van mijn leven te beginnen, maar zij stapte op me toe en drukte me een dollar in de hand. ‘Jullie hebben een heel mooi hotel hier,’ zei ze. ‘Ik zou best nog wat langer willen blijven.’
De deur ging dicht en ik stond alleen op een verlaten gang. Ik keek naar mijn fooi en dacht: is dat alles?













