
Met de komst van WNL is de Nederlandse televisie diep het afvoerputje in gegleden. Maar wie goed zoekt, vindt af en toe nog enkele pareltjes op bodem van het Nederlandse bestel. En die komen allemaal uit het hoofd van scenarioschrijver Frank Houtappels.
In het huis van Frank Houtappels in Amsterdam hangen drie grote foto’s. De eerste toont een meisje aan een venster, met een veertje in haar hand. De tweede bevat een uitgebluste dikke kerel in hemdsmouwen, op een stoeltje. De laatste laat een dame zien die door een raam naar binnen kijkt, met boven haar een bloeiende bloesemtak.
Zijn die van Erwin Olaf? vraag ik. “Ja,” zegt Houtappels, “Drie toneelstukken van Tsjechov zijn het – Een Meeuw, Oom Wanja, de Kersentuin.”
Tsjechov, die past hier. De grote Rus schreef hartverscheurende toneelstukken over het menselijk onvermogen, over onvervulde verlangens, over brekende harten, maar hij drukte zijn regisseurs en acteurs op het hart dat die stukken toch vooral als komedie gespeeld moesten worden. Zo zit het leven immers in elkaar. Niet iedereen begrijpt dat – dat er een fijn lijntje loopt tussen humor en tragedie, tussen de kerk en de camping, het regiment en de homosauna, de balzaal en het kerkhof. Op dat lijntje wandelt Frank Houtappels. Schrijvers als Noël Coward, Eli Asser en Annie M.G. Schmidt gingen hem voor.
Houtappels (1968) is afkomstig uit Weert. Hij ging naar de toneelschool Amsterdam en speelde jaren toneel; sinds 1995 schrijft hij stukken. Inmiddels levert hij al vijftien jaar een ontembare stroom werk af voor toneel, televisie en bioscoop, van Klokhuis en Koefnoen tot Ja Zuster, Nee Zuster en Hertenkamp. Dat werk wordt nogal eens als ‘typisch Nederlands’ gekwalificeerd. Hij is zeer productief en altijd bezig. In het afgelopen jaar leverde hij acht afleveringen van ’t Spaanse Schaep af, een scenario voor de film Gooische Vrouwen, een plan voor een internationale film met Tim Oliehoek en twaalf afleveringen van de BNN-comedy Walhalla. En dan nog zo wat.
Wat er typisch Nederlands aan is? Houtappels’ personages zijn eigenzinnig en vinnig, maar niet gemeen; ze zijn geestig, maar niet zuur, en ondanks alles zijn ze democratisch van aard. Zijn Nederlanders lijken allemaal te willen leven naar het adagium van Ja Zuster, Nee Zuster: “Laten we allemaal doen wat we willen, zonder te schreeuwen en zonder te gillen.”
heel hard niks doen
Als ik Houtappels spreek in Amsterdam, in zijn fijne huis in een rustig straatje midden in de stad, is hij net terug van een vakantie in Azië, en dus zowel gebruind als grieperig. Hij hoest en hij rookt, wat niet helpt.
De vakantie was hard nodig. Houtappels: :Vorig jaar was té. Ik heb ‘t Schaep gedaan, wat héél veel werk is, en onderwijl Gooische Vrouwen. Dat was nog een leuke combinatie, maar toen kwam Walhalla d’r bij, en dat was comedy pur sang, wat hártstikke moeilijk is. Toen liep ik echt een beetje achter mijzelf aan. Toen dacht ik: nou ga ik es even pas op de plaats maken. Ik had op vakantie tien boeken bij me, maar ik kon me op geen enkel boek concentreren. Ik vond alles onzin, had nergens geduld voor, ik dacht: ‘Ach, mensen, schiet óp. Zelfs David Sedaris, het lichtste van het lichtste. Toen ben ik maar gaan koken. Ik ben de Thaise keuken ingerend, ‘Mag ik kijken?’ Zoiets duurt drie weken, en dan ben ik daar ook wel weer mee klaar.”

En nu?
“Nou, eigenlijk is mijn agenda helemaal leeg! Ik heb tegen iedereen gezegd, jongens: ik heb te veel gedaan, dus ik neem niets meer aan. Maar dat doe ik nu twee maanden en ik word nu al knettergek van het niks doen.”
Hij moet er erg om lachen. Helemaal niks?
“Nee hoor, ik moet dingen lezen, ik heb Klokhuis-scenes waar ik mee achter lag, ik zit in gedachten altijd wel iets te typen. Ik heb vooral zin om een toneelstuk te schrijven. Ik denk erover na. Af en toe maak ik aantekeningen.”
Zou je terug willen naar het toneel?
“Het laatste wat ik daar deed was met Mug met de gouden tand. Toen dacht ik: je moet echt heel erg van dit vak houden, wil je avond aan avond die auto in gaan, het toneel op. Ik was áltijd nerveus. Niet kotsen, maar wel een emmertje bij de hand, voor het geval dat. Raar is dat, hè? Het was een hartstikke leuk stuk, en het publiek was heel vriendelijk, maar toen dacht ik echt: ‘Dit wil ik niet meer’. Wat een bestáán, zeg!”
Je hebt ook nog even het nieuwe programma van Ruth Jacott geschreven.
“De verbindende teksten voor haar One Woman Show. Ze zingt van Josephine Baker tot Beyoncé. We hebben hier aan tafel lekker mijn platenkoffer opengetrokken en de muziek uitgezocht. Dat zijn nou echt dingen waarvan ik het liefst had gehad dat ik alléén maar daar mee bezig kon zijn, in plaats van met nog drie andere dingen.”
Gaat de kwaliteit er onder lijden? Speelde dat een rol bij Walhalla, misschien?
“Nou… als ik Walhalla terugzie, vind ik ook het ene moment beter geslaagd dan het andere; wat mensen vergeten is dat de eerste remake van ‘t Schaep ook heel veel kritiek kreeg. Het vervelende is dat ik pas bij aflevering zes of zeven van Walhalla dacht: ‘O, dát had ik moeten doen…,’ maar toen waren ze al lang aan het werk. Het zit zo dicht op mekaar, ik zat scripts te typen die twee weken later al werden gedraaid. Dat is echt absurd. Ik vind het heerlijk om keihard te werken, maar er moet wel ruimte zijn voor enige mate van reflectie.”
cheryl, anouk, claire
In maart beleeft de film Gooische Vrouwen zijn première, in het DeLaMar-theater in Amsterdam, met rode lopers en oesters en champagne. Net als na de laatste aflevering van ’t Spaanse Schaep eindigt daarmee een lange periode van hard werk, waarin Houtappels bijna dagelijks met zijn personages opstond en ermee naar bed ging.
Wat voor film wordt het?
“Het wordt heerlijk, een feelgood-avond. Hij is echt goed gelukt, hij is geestig, ik denk dat mensen er echt vrolijk uit gaan komen.”
En daarmee neem je definitief afscheid van al die figuren?
“Ja.”
Gaan ze allemaal dood?
“Néé! Niet in de film. Maar in mijn hoofd ben ik niet meer met Claire en Anouk en Cheryl bezig. Er was eerder een moment, na het derde seizoen, dat we zeiden: ‘Gaan we stoppen?’ Toen zag Linda [DeMol, KK] het nog zitten. Maar nu is het klaar.”
Wat is eigenlijk de rol van Linda de Mol?
“Nou…! Nogal vet! Zij zit al bij de scenariobesprekingen, en bij het verzinnen van de verhalen. Als zíj iets niet zit zitten dan kost het me een halve dag om d’r te overtuigen.”
Heeft ze er kijk op?
“Ja. Anders zou ik het nooit kunnen. En wat Gooische Vrouwen betreft, wist ze echt wel waar ze het over had. Het is haar milieu. Die grote tuinhekken in de serie, dat zijn letterlijk háár tuinhekken.”
Voel je je daar thuis?
“Nee.”
een hele oppak
Een van de interessante dingen aan Houtappels’ werk is dat hij zowel de grachtengordel als de brede massa aanspreekt. ’t Schaep trekt 2,7 miljoen kijkers maar kreeg ook de Nipkowschijf, de prijs van de Nederlandse televisiekritiek. Houtappels werd veel geprezen om het frisse Jordanees dat er in gesproken wordt. Dat deed hem bijzonder plezier: taal is zeg maar echt zijn ding.
“Bij ‘t Schaep ben ik begonnen met het bewerken van de serie van Eli Asser uit de jaren zestig. Daar heb ik me ronduit tegen afgezet. Sommige liedjes vond ik briljant, andere niet. Dan heb je geen heilig respect voor wat er ligt, en dan ga je daar enorm in tekeer. Zo’n Opoe Withof was bij Eli Asser een gastrol van één aflevering. Als ik dan weet dat Job Gosschalk daar Carry Tefsen voor kan casten, dan ga ik daar natuurlijk een enorme rol van maken. Als die acteurs zo godsgruwelijk goed zijn, dan word je heel erg geïnspireerd. Ik anticipeer er wel op, ik geef het materiaal aan, maar het moet wel opgepikt worden, en als het dan opgepikt wordt door bijvoorbeeld een acteur als Pierre Bokma…. De hele relatie tussen Doortje en Kootje speelt zich gewoon op zijn gezicht af. En dan moet je ook nog een regisseur hebben die zo gis is, en het aandurft, om zo’n kop bijna een volle minuut in beeld te brengen.”
Toch vind ik die taal af en toe op zichzelf al briljant…
“Anders dan bij Gooische Vrouwen moet je bij ’t Schaep altijd op zoek naar de juiste formulering. Je wilt Opoe Withof laten zeggen dat de anderen niet zo’n ruzie moeten maken, maar zo zeggen we dat niet, in ’t Schaep. Het gaat altijd ‘via de band’ – de band van de taal. Dan pak ik het Bargoens Woordenboek. Daar staat alles in. Op een gegeven moment had ik dat boek zó stukgelezen, dat al die uitdrukkingen gewoon in mijn hoofd zaten. Dan komen ze vanzelf. ‘Ze is een hele oppak.’ ‘Ze laat zich afschuieren.’ ‘Hij zit in Hotel de Houten Lepel.’ Het is heel leuk om een keer voor het voetlicht te brengen, hoe rijk je eigen taal kan zijn. Het is de grootste winst van ’t Schaep dat mensen dát opgepikt hebben, dat ze genieten van die taal.”
Wat? Komt het allemaal uit het Bargoens Woordenboek?
“Nou, ja, tuurlijk! (pedant) Maar niet alles! Neem dit: ‘Doortje is geil, die heeft al jaren geen seks gehad. Ze noemt het platonisch.’ ‘Wat bedoel-u dan, tante Door?’, zegt Lena dan. ‘Dat ik zo droog sta als een speculaaspop.’ Daar komt dat woordenboek niet aan te pas. Dat staat er echt niet in! Dat verzin je zelf! Ja, het was rond Sinterklaas…”
Je hebt in ’t Schaep een mooie karikatuur van een homo gemaakt, in Lucas Blijdschap.
“Nou, in die eerste serie van Eli Asser had Lucas Blijdschap al nooit een vriendinnetje. Hij werd gespeeld door Leen Jongewaard en daar hoef je maar naar te kijken en je weet: dat wordt geen vader met een grote kinderschaar. Het droop er vanaf, alleen niemand had het er over. Dus ik wist, als ik de tweede serie ga maken, dan ga ik daar wel wat mee doen. Sindsdien is Lucas gewoon homoseksueel. Kootje en Door fungeren bijna als zijn ouders. In één van mijn favoriete scènes zie je dat Doortje het eigenlijk nog erger vindt dan Kootje. Kootje zegt: ‘Het was toch altijd al een beetje een meid met een handvat?’ En Doortje: ‘Ja, maar je hoopt toch dat het overgaat.’ En dat hij dan weer zegt: ‘Overgaat, overgaat? Het is geen griep!’ Dat vind ik heel leuk: dat je op Nederland 1, primetime, voor 2,7 miljoen kijkers heel organisch een homoseksuele relatie kan neerzetten zonder dat de homoseksualiteit een probleem is.”
Ben je bang dat dat camp wordt?
“Dat is niet camp. Niemand is er over gevallen. Ik weet nog dat ik me er over opwond dat ze vonden dat Ja Zuster, Nee Zuster ‘nichtencamp’ was geworden. Toen ik het scenario schreef voor de film gooide ik alles uit die serie op een hoop. Dan heb je dat liedje De Jongens van de reisvereniging. Dat is zo dubbel als wat. In de oorspronkelijke aflevering gaat Buurman Boordevol een kettinkje kopen bij het antiekwinkeltje van Albert Mol en dan is de grote twijfel of het een bolletje of een kruisje moet zijn. Dan zegt Albert Mol: ‘Ik vind een bolletje u zo veel leuker staan…’ Het staat stijf van de dubbelzinnigheid. De mensen zagen dat helemaal niet, die stonden er niet bij stil, maar Annie MG Schmidt – niet dat ik pretendeer haar persoonlijk te kennen – was natuurlijk niet zo gek. In mijn filmscript trek ik dat meer naar de oppervlakte, met die kapper. In die zin wordt de dubbelzinnigheid van De Jongens van de reisvereniging iets minder dubbelzinnig. Maar dat is niet iets wat Pieter Kramer [regisseur, kk] en ik bedacht hadden, dat had Annie Schmidt al bedacht! Luister naar dat lied, kijk naar dat lied! En daar is toch kritiek op geweest uit bepaalde hoek, ‘Ah, daar hebben ze het weer homoseksueel gemaakt.’ Dan denk ik: Nee, man, ik heb puur gedaan wat Annie Schmidt al zelf gedaan had. Ik weet zeker dat ze het enig had gevonden.”
“Hetzelfde geldt voor Yari [Alex Klaassen in Gooische Vrouwen, kk]. Ik wilde er gewoon een nicht in – ik probeer overal altijd een nicht in te fietsen – maar dat die zo over the top zou worden, dat had ik niet gedacht. Dat zag ik pas in de aankleding. Toen dacht ik: dat is goed, maar daar wil ik zeker in het volgend seizoen een keer een tegenkleur aan geven, dat het niet echt een karikatuur is, want als je echt zo bent, dan roept dat een keer agressie op. En dus is er een aflevering waar Yari in elkaar geslagen wordt. Dan moeten al die andere mensen daarop reageren. ‘Ga je aangifte doen, of niet?’ Kijk, we maken geen enorm maatschappijkritische televisie…”
Maar je hebt wel een verantwoordelijkheid.
“Ja, je probeert wel iets te zeggen. In Gooische Vrouwen zit op een gegeven moment een donkere jongen. Daar heb ik het met Linda over gehad: in het Gooi zijn zwarte mensen op één hand te tellen, en het is nog steeds zo dat wie zwart is, de krant rondbrengt. Laten we eerlijk zijn. Dus zodra de dochter van Claire een zwarte vriend heeft, ís dat een probleem. Zo kun je het aan de orde stellen. Maar ga er in godsnaam niet over nadenken terwijl je aan het schrijven bent. Als ik aan het schrijven ben is het belangrijkste dat de regisseur er wat mee kan, en dat de acteurs niet zeggen: ‘Wat heb je nou op mijn bord gelegd’?”
Wat is het belang van drama, volgens jou?
“Ik kom toch regelmatig op de gedachte van ‘het voorhouden van een spiegel’. Dat mensen door het kijken naar wat mensen op een beeldscherm doen ook kijken naar hun eigen gedrag. Als mensen zich herkennen in een personage, dan blijft het vaak niet bij die herkenning, maar dan wordt er ook een gedachte in gang gezet. Dat zie ik ook in de reacties op het internet op ‘t Schaep. Personages zijn blijkbaar zó herkenbaar. Mensen die tot tranen toe geroerd zijn om dat verval van Opoe, dat kan dan weer troostend werken. Misschien heeft dat allemaal met een bewustzijn te maken, dat je niet als een zombie door het leven loopt.”
Toch een soort verantwoordelijkheid?
“Eh, nou… Áls je mensen al iets wil vertellen, dan is het: ‘Wees een beetje aardig voor elkaar.’ Dat is het enige. En ik probeer altijd als ik iets schrijf voor een breed publiek homoseksualiteit bespreekbaar te maken en te houden.”
Hoe is jouw persoonlijke homogeschiedenis?
“Ik was echt the only gay in the village, daar in Weert. Ik dacht: Jezus, ik lijk de enige wel. Je had daar één café, en dat heette dan ook nog [diepe zucht] The-a-ter-ca-fé; daar zat dan ook meteen de plaatselijke kapper, dat was niet echt wat je wilde. De allereerste keer dat ik naar een nichtenkroeg ging in Eindhoven, na héél veel rondjes eromheen gelopen te hebben, en eindelijk aanbelde, toen werden we begroet met ‘Dag dames!’ En dat bedoel je dan óók weer niet.”
Is er een relatie tussen coming-out en creativiteit?
Hier moet Houtappels geruime tijd over nadenken.
“Is dat zo? Wat homo’s gemeen hebben is dat ze allemaal op een punt hebben gestaan dat ze moesten zeggen: ‘Het zit misschien anders in elkaar dan jullie van mij verwachten.’ Ik denk dat dat meespeelt. Je wordt gedwongen om beter na te denken over je leven en hoe je daar instaat. Dat is bij je coming-out, maar dat blijft zo. Op je dertigste, je veertigste, in al die levensfases moet je jezelf opnieuw uitvinden. Je hoort niet tot de meerderheid, de meerderheid die trouwt en waar de kindervraag een volkomen natuurlijke vraag is. Het is nooit honderd procent de gebaande weg. En als je het hebt over creativiteit: ja, inderdaad, je moet er altijd iets van maken. Je kunt niet mee in een sleur. Je hoort niet bij de meerderheid. Ik denk dat dat altijd wel zo zal blijven. Je hebt hooguit gradaties in tolerantie door de jaren heen.”
En dus schrijf je een homo in elke serie…
“Ja. Kijk, het is geen kunst om dat bij BNN te doen. Bij de KRO heeft ook nog nooit iemand ook maar iets over Lucas Blijdschap gezegd.”
Maar bij de EO zeggen ze: liever niet.
“Je zult dat altijd moeten blijven toetsen aan de werkelijkheid van de dag, maar ik heb tot voor kort gezegd: nee. Kort na die Arie Boomsma-affaire werd ik verzocht om als schrijver te werken voor de EO, en toen zei ik nee. Daarom.”
Tekst Koen Kleijn,
Fotografie: Wikkie Hermkes, assistent fotografie: Babette Kouwenhoven,
Styling: Pythia (pythia-styling.nl), assistent styling Gerline Horsveld.














