
Als autoritaire regimes zich geweld veroorloven tegen de meest kwetsbare minderheid, zegt dat veel over de staat van zo’n land.
Human Rights Watch voert de strijd voor homo-rechten wereldwijd als een integraal deel van de verdediging van de universele rechten van de mens. Maar wat die rechten inhouden, daar is niet iedereen het over eens, zeker niet als het over seks gaat.
De afgelopen zomer was een interessante tijd voor de internationale homoseksuele zaak. Het hooggerechtshof in New Delhi bepaalde dat seks tussen volwassen mannen in India niet meer onder het strafrecht valt. De premier van Albanië maakte bekend dat het huwelijk voor same-sex paren wordt opengesteld. In Amsterdam zagen meer dan een half miljoen mensen de Gay Pride voorbijvaren, inclusief een boot waarop burgemeester Cohen voor het oog van de wereld vijf homostellen in de echt verbond. Daartegenover staat een dik pak slecht nieuws. Een krankzinnige nieuwe wet in het EU-land Litouwen, bijvoorbeeld, die informatie over homosekualiteit aan scholieren verbiedt omdat het ‘besmettelijk’ kan werken. Het hoeft geen betoog dat de verdediging van homorechten een lang en taai gevecht is. Vaak staan de activisten tegenover regeringen die het bestaan van homo’s in hun land domweg ontkennen, of – al of niet met een religieuze tekst in de hand – beweren dat homoseksualiteit een zonde is, of een ziekte, dan wel een verschijnsel dat typisch een product is van de decadente samenlevingen in het Westen. Zelfs onder mensenrechtengroepen komen dit soort vooroordelen voor. Wie zich inzet voor vakbondsrechten, democratische verkiezingen of vrouwenrechten staat niet automatisch aan je zijde als het om de rechten van transgenders gaat. Bij die feestelijke huwelijken in Amsterdam was Boris Dittrich als officieel getuige aanwezig. Dittrich is de voormalige partijleider van D66 en in homokringen een bekende naam, omdat hij in het Paarse Kabinet de openstelling van het huwelijk in het regerakkoord kreeg. Dittrich verliet de politiek en werkt sinds 2007 als advocacy director van de afdeling Lesbian, Gays, Bisexuals and Transgenders (LGBT) van Human Rights Watch (HRW), een van de belangrijkste mensenrechtenorganisaties ter wereld. Winq sprak Boris Dittrich over zijn werk en over de relatie tussen mensenrechten en homorechten wereldwijd. En Winq sprak ook met twee van zijn collega’s, Scott Long, directeur, en Rasha Moumneh, researcher.

Dittrich is daags na het Pride-festival in Amsterdam nog vol van het glorieuze succes, maar aarzelt niet om het Amsterdamse evenement meteen in perspectief te plaatsen: “Ik was afgelopen mei namens Human Rights Watch bij de Gay Pride in Boekarest. Daar liepen driehonderd mensen in mee. Ze werden volkomen afgeschermd door de politie, met helmen, schilden, paarden en dranghekken. Het gewone publiek kon er niet bij. Toen ik een toespraak hield op het plein voor Ceaucescu’s oude paleis, stonden daar alleen maar de mensen van de homo-organisaties, plus de buitenlanders en de ambassadeurs, maar geen gewoon publiek. En dat is Roemenië, ook een EU-lidstaat.” De aanwezigheid op de huwelijksboot in Amsterdam was leuk, maar het was vooral onderdeel van zijn werk. “Reuters, de internationale pers en andere media, zaten ook op die boot. Ik had dat mede georganiseerd omdat we in Amerika bezig zijn met immigratie-wetgeving. Human Rights Watch en de organisatie Immigration Equality publiceerden daar in 2006 een rapport over, Family, unvalued. Het huwelijk van die vijf koppels wordt erkend door de staat New York, maar niet door federaal Amerika. Dat betekent dat ze zich dus niet als echtpaar in de Verenigde Staten kunnen vestigen. Wel als toerist, maar zonder rechten, zonder green card, en dat echt alleen maar vanwege hun seksuele oriëntatie. Er wonen heel wat love exiles in Nederland. Dat verhaal kon ik mooi in al die interviews even kwijt.” Waarmee Dittrichs taakomschrijving bij HRW – zelf zegt hij: “Ik weet nooit zo goed hoe je advocacy vertaalt, ik noem het altijd maar ‘pleitbezorging’”- zo ongeveer duidelijk is: informatie verzamelen, onder de aandacht brengen, de media bedienen, beleidsmakers beïnvloeden.
Human Rights Watch
Human Rights Watch is een van de meest gerespecteerde mensenrechtenorganisaties in de wereld. De organisatie wordt gefinancierd door privé-personen, niet door regeringen, ook niet indirect. Het hoofdkwartier staat in New York. Het werk is onderverdeeld in regionale afdelingen – Zuid-Amerika, Midden-Oosten, noord-Afrika, e.d. – en thematische: contraterrorisme, vluchtelingen, kinderen, bedrijfsleven, enzovoorts. Er zijn wereldwijd zo’n driehonderd mensen in dienst. De essentie van het werk is fact-finding, dagelijks toezicht ter plaatse op de naleving van mensenrechten in zo’n tachtig landen. Dat begint vaak met een telefoontje van een wanhopige homo in Bagdad, Dakar of Honduras. Researchers praten vervolgens met mensen die vervolgd worden, of die getuige zijn geweest van mensenrechtenschendingen, en documenteren hun gevallen. HRW neemt doorgaans geen indivuele zaken aan; het prestige – en daarmee: de mate van invloed – van HRW is vooral gebaseerd op de nauwkeurigheid van hun onderzoek en op de onpartijdigheid van de rapportage op beleidsniveau. HRW publiceert jaarlijks zo’n 100 rapporten, en is heel effectief in het bereiken van de media, zodat die rapporten niet in een la verdwijnen. Het belangrijkste drukmiddel van een mensenrechtenorganisatie is immers nog altijd de openbaarheid, het openlijk ter verantwoording roepen van de schenders van mensenrechten. Dan kunnen die rapporten ook gaan leiden tot wezenlijke veranderingen in beleid, wet en publieke opinie.
Helsinki
De oorsprong van HRW ligt in een groep journalisten en juristen die steun gaf aan mensenrechtengroepen die in het oude Sovjet-blok toezicht hielden op de naleving van de Helsinki-akkoorden van 1975. De strategie van de Helsinki Watch bestond uit het openlijk aan de kaak stellen van schendingen, door naming and shaming van de regeringen die zich daar schuldig aan maakten. De onderwerpen – politieke vrijheden, meningsuiting, bescherming tegen willekeurige arrestatie – lagen toen vrij duidelijk, maar de wereld is sinds de Koude Oorlog veel gecompliceerder geworden. Mensenrechten hebben een steeds ruimere betekenis gekregen. Er is veel meer aandacht voor de rechten van vrouwen, kinderen, vluchtelingen en arbeidsmigranten. De HIV/AIDS epidemie leidde tot de oprichting van een apart programma over gezondheid. Verschijnselen als kindsoldaten, mensenhandel en verkrachting dringen zich naar de voorgrond. HRW speelde een rol in de totstandkoming van de tribunalen voor Rwanda en Joegoslavië en van het Internationaal Strafhof. In 1997 deelde HRW in de Nobelprijs voor de Vrede, als mede-oprichter van de Internationale Campagne tegen Landmijnen. En bij dat alles heeft HRW sinds 2004 ook een programma dat zich specifiek richt op de rechten van homo’s, biseksuelen, transgenders en lesbiennes.
LGBT
De directeur van dat programma is Scott Long, een veteraan in de behartiging van LGBT-rechten. Ik spreek Scott Long aan de telefoon, daags voor hij vanuit New York vertrekt naar Libanon, voor de presentatie van een rapport over Irak. Long: “Het eerste jaar was ik in m’n eentje; nu zijn we met zijn zessen, waaronder Boris, en drie researchers, een Colombiaanse, een Libanese en een van oorsprong Indiase, die bezig zijn met onderzoek in Honduras, in Senegal, in Irak en spoedig ook in Kameroen.” Dan blijft er nog een heleboel planeet over. “Wel, het LGBT-programma is op zich niet groot, maar het echte werk voor HRW gaat altijd via de regionale centra, van Tokio tot aan Johannesburg. Daar werken de meeste mensen. Zij zijn verbonden met lokale netwerken en lokale organisaties. HRW heeft tien thematische programma’s, en die zijn altijd geïntegreerd met regionale organisaties.” Toch zul je prioriteiten moeten stellen. “Ja. Mensenrechtenwerk is altijd gecompliceerd. Er is altijd een nieuwe prioriteit. Wij lijden nogal onder de steeds nauwere relatie tussen mensenrechten en humanitair werk – de grote crises met veel slachtoffers, zoals Darfur. Die vragen de meeste aandacht en tijd. Maar zo’n situatie als Darfur is toch nog altijd een uitzondering. De gewone vervolging van gewone mensen in hun dagelijkse leven gaat elke dag door, in Cairo, Egypte en Illinois. Vervolging om wat ze doen, wat ze zeggen, hoe ze er uit zien, van wie ze houden. Daar moet je elke dag opnieuw aandacht voor vragen. En daar komt bij: we weten domweg nog steeds niet wat de omvang van mensenrechtenschendingen in LGBT-zaken is. Heel veel blijft versluierd, geheim. We hebben gewoon veel meer documentatie nodig.”
‘Goh, jij ziet er feminien uit, weet je dat je binnenkort de gevangenis in moet?…’
Volgens Boris Dittrich is het belangrijkste obstakel in de verbetering van de positie van homoseksuelen de strafbaarstelling van homoseksueel gedrag. In 77 landen is dat strafbaar, in acht landen staat er de doodstraf op. Die strafbaarstelling betekent niet dat zo’n wet ook strikt wordt toegepast, maar het geeft de politie altijd een middel in handen om mensen onder druk te zetten, af te persen, op te jagen. Maar de hervorming van het strafrecht kan een heikel parcours zijn. Dat bewijst het pijnlijke voorbeeld van Burundi. Daar was homoseksualiteit, als een van de weinige landen in Afrika, niet strafbaar, totdat – nota bene met Nederlandse steun – het wetboek van strafrecht werd gemoderniseerd. Dittrich: “Die aanpassing was op zich goed. De doodstraf werd afgeschaft, en allerlei andere dingen, die een schending van mensenrechten betekenden. Maar toen diende één parlementlid een amendement in, dat homoseksueel gedrag strafbaar moest worden. Wij hebben toen acties gevoerd, ook achter de schermen, en de Senaat van Burundi heeft dat amendement verworpen, maar in tweede termijn is het alsnog door het parlement goedgekeurd.” Wat gebeurt er daarna? “Dan ligt ‘t stil. Dan is er opeens geen kritische massa meer. Een van de aktieve leden in de Burundese homobeweging heeft asiel gekregen in het Westen. De internationale aandacht zakt in. Wij zijn gebleven. We vonden dat we moesten doorgaan. Wij hebben een rapport opgesteld, mensen geïnterviewd over hoe die wet hun leven beïnvloedt. Nick, een jonge man van 25, vertelt dat hij in een supermarkt loopt. Een politieagent vraagt om zijn ID en zegt: ‘Goh, jij ziet er feminien uit, weet je dat je binnenkort de gevangenis in moet, want homosekualiteit wordt strafbaar!?’ Dat geeft zo’n angst, als je zo in je dagelijks leven, als je op straat loopt of in een winkel staat, weet: ‘Ik kan ieder moment opgepakt worden!’ Daarom hebben we expres dat rapport uitgebracht. Om de wereldgemeenschap op te roepen Burundi niet te vergeten. Want: er komen weer verkiezingen aan. Je moet er bij blijven.” Maar soms zit het mee.
Beste jongetje van de klas
Tegenover de negatieve berichten uit Burundi, Iran, Rusland, Letland, Roemenië of Litouwen staat het succesverhaal Albanië. Dittrich vertelt daar met groot genoegen over, want HRW stond aan de wieg van de enorme verandering, die zich daar voltrekt. Boris Dittrich: “Het is bijna een schoolvoorbeeld van de invloed die HRW kan hebben. In december vorig jaar werd bij de VN een verklaring ingediend over LGBT-rechten, die door 66 landen werd ondertekend. Ook door Albanië. In het voorjaar ben ik er naartoe gegaan. Toespraak gehouden op de universiteit, in allerlei televisieprogramma’s gezeten, keurig in pak en stropdas. Iedereen is hoogst verbaasd dat je zomaar komt vertellen dat je homo bent, dat je er niet raar uitziet, en dat je een hele carrière achter de rug hebt, dat je rechter bent geweest, en advocaat, enzovoorts.” “Toen heb ik met de mensenrechtenorganisaties in Albanië, waaronder ook een of twee homogroepen, een grote ronde-tafel-conferentie gehouden. De belangrijkste wens van die conferentie was dat er anti-discriminatiewetgeving zou komen. De Nederlandse ambassadeur had voor mij een afspraak gemaakt met de minister-president, Sali Berisha, en die heeft mij ontvangen. Dat was bijzonder, want de mensenrechtenorganisaties hadden nog nooit met de premier gesproken. Ik heb hem uitgelegd dat mensenrechten voor alle mensen gelden, dus ook voor homo’s, en dat het belangrijk was, dat Albanië anti-discriminatiewetgeving krijgt. Nou is Berisha een —autoritaire minister-president, die op mensenrechtengebied heel wat heeft uit te leggen. Maar hij vroeg toch naar het homohuwelijk in Nederland, hoe de politiek dat geregeld had. Na afloop van die bijeenkomst heeft Berisha de mensenrechtenorganisaties uitgenodigd; vorige maand was er een kabinetsvergadering en toen heeft het kabinet besloten om niet alleen die anti-discriminatiewetgeving in te voeren, maar ook om het huwelijk open te stellen. Dat hadden die mensenrechtenorganisaties niet eens naar gevraagd! Die dachten dat dat véél te ver weg was, eerst maar eens zien of die anti-discriminatiewetgeving er kon komen. Maar het feit dat Berisha, minister-president van een islamitisch land – 70% procent moslims – heeft gezegd: ‘Burgers moeten kunnen trouwen met wie ze willen, dat is een mensenrecht’, dat is een enorme stap.” Is het niet vooral schone schijn? Albanië is net lid geworden van de NAVO, het wil graag bij de EU, en dus graag het beste jongetje van de klas zijn? “Dat is waar. Dat is natuurlijk ook de reden waarom we Albanië hadden uitgekozen, net zoals ik met Macedonië bezig ben, en met Servië, en Kroatië, die allemaal bij de EU willen. Er is een hefboom, een incentive, een prikkel om dingen te gaan regelen. En dan niet zomaar van: ‘laten we maar even een handtekening zetten’ – nee, toch op basis van het besef dat mensenrechten voor iedereen gelden.”

Kanarie in de kolenmijn
Het werk voor HRW is niet zonder gevaar. Eerder dit jaar werd de Russische mensenrechtenonderzoekster Natalia Estemirova in Tsjetsjenie ontvoerd en vermoord. Ze was bezig met het documenteren van mensenrechtenschendingen: ontvoeringen, martelingen, collectieve bestraffing en terechtstellingen door de Tsjetsjeense veiligheidstroepen. Met stilzwijgende instemming van Moskou. HRW deed vergelijkbaar onderzoek in Irak. Rasha Moumneh was daar de researcher en ook Scott Long was er persoonlijk bij betrokken. Ze namen persoonlijk risico’s. Long: “Wij hoorden dat eerder dit jaar milities in Irak, met name de Mahdi Army van Muqtada al-Sadr, stelselmatig homoseksuele mannen aan het vermoorden waren. Of eigenlijk mannen die er vrouwelijk uitzagen, te strakke jeans aan hadden. Het was een gruwelijke campagne. Honderden mannen zijn ontvoerd, gemarteld, afgeslacht. En dus hebben wij dat geweld gedocumenteerd, de slachtoffers gedocumenteerd, met de overlevenden gesproken, en dringend met de regering gesproken om werk te maken van rechtshandhaving, op te treden, niet meer te liegen. Hoe gevaarlijk is dat werk? Rahsa Moumneh, per telefoon uit New York: “Niet echt. Het is veel gevaarlijker voor de mensen waar je mee praat. In Irak zijn we met opzet niet naar Bagdad gegaan. De mannen daar, die lijden onder vervolging, die worden bedreigd, die voor hun leven vrezen, die kunnen beter niet worden gezien in gesprek met Amerikanen of niet-Irakezen, zoals Scott en ik. We zijn dus naar het noorden gegaan, naar Koerdistan en hebben daar in relatieve veiligheid, met deze mensen gepraat.” Wat kan HRW in individuele gevallen doen? Moumneh: “HRW is vooral een onderzoeksorganisatie, wij nemen het niet snel op voor individuele gevallen, maar zo’n situatie als in Irak is ook voor ons vaak nieuw. Het is nooit rechttoe-rechtaan mensenrechtenwerk. Je loopt tegen heel verschillende problemen op. Als mensen echt serieus bedreigd worden, dan nemen we contact op met NGO’s, (non-governmental organizations, red.)om ze te helpen het land te verlaten, en ze te laten erkennen door de UNHCR. Je moet bedenken dat er al 2 miljoen Irakese vluchtelingen zijn, maar de homo’s daaronder zijn in andere Arabische landen ook niet veilig. Die moeten dus echt weg. Zijn de problemen in Irak niet veel groter dan alleen homovervolging? Scott Long: “Het afslachten van homo’s in Irak is niet alleen verschrikkelijk in zichzelf, het is ook een ‘kanarie in de kolenmijn’. Het zegt wat over een land als een groep zich dit soort geweld tegen de meest kwetsbare, minst geliefde minderheid straffeloos kan veroorloven. Dat zet de poort open naar nog ergere dingen. En ja, het is meer dan wij kunnen behappen. Het gaat om een regering die niet bij machte is tegen dit soort milities op te treden, die krachteloos is. Maar het blijft dan belangrijk dat we door de mist van leugens en bedrog heen snijden. Ook al feliciteren de Verenigde Staten en de regering van Irak elkaar dagelijks met hun grote successen, deze regering kan mensen niet beschermen. Het allervoornaamste is het bouwen aan een functionerend rechtssysteem, the rule of law. Daarmee kun je regeringen aan hun eigen wetten en hun eigen verdragen houden. In Irak is zoiets er al veertig jaar niet meer geweest. Dát is misschien wel ons belangrijkste obstakel.
Oost-West
De emancipatie van homo’s wordt in grote delen van de wereld gezien als een typisch westerse aangelegenheid, een vorm van decadentie. Aziatische en Afrikaanse landen zeggen vaak: dit soort mensenrechten zijn de onze niet. Het werk van HRW – toch een Engelstalige organisatie, gevestigd in New York – wordt daardoor gemakkelijk gezien als een partijdig onderdeel van de tegenstellingen tussen ‘oost’ en ‘west’. Rasha Moumneh, zelf afkomstig uit Libanon:: “In de Arabische wereld is dat zeker zo. Daar is ‘het seksuele’ altijd onderdeel van politiek. Altijd als er in de Arabische pers over homoseksualiteit wordt geschreven, dan wordt er aan toegevoegd dat het onderdeel is van de samenzwering tegen de Arabische wereld door Amerika en Israël. Seksualiteit heeft politieke betekenis. Het gebeurt wel dat LGBT-organisaties worden aangemerkt als ‘zionistische collaborateurs’ en dan wil niemand meer met je praten. Dat is een vervelend stempel.” “Het is ook zeker een issue in de relatie met lokale mensenrechtenorganisaties, bijvoorbeeld in noord-Afrika, die een dikke rode streep trekken door seksualiteitszaken. Wij weten dat. We maken altijd een pragmatische, strategische keus. Wij werken met ze samen omdat we een zaak gemeen hebben, maar wij sluiten nooit compromissen op andere dossiers. Als we bijvoorbeeld in Tunesië met een belangrijke politieke pressiegroep samenwerken, dan weten zij dat wij ook seksuele issues behandelen. Daar moeten ze dan maar rekening mee houden.” Scott Long refereert aan de beruchte Queen Boat-affaire in Egypte.

In 2001 ging de politie in Cairo keihard achter vermeende homofeesten aan, verrichtte duizenden arrestaties, martelde de gevangenen, et cetera. Uiteindelijk kwamen 52 mannen voor het gerecht. Long: “Omdat het een homogeval was, wilde aanvankelijk geen enkele Egyptische mensenrechtenorganisatie zijn vingers aan de zaak branden. Maar toen wij in 2004 een rapport naar buiten brachten, en dat in Cairo presenteerden, stonden er vijf van hen met ons op het podium. Dat was een fundamentele verandering. HRW is bij uitstek in een positie om dit soort dossiers te presenteren. Niet als een marginaal verschijnsel, maar als een algemeen mensenrechtenprobleem. Dit ging niet alleen om homo’s, maar om schending van privacy, onterechte arrestatie, intimidatie, vervalsing van aangifte, marteling , enzovoorts. Dat begrijpen die organisaties heel goed. Je verbindt dit LGBT-geval met wat zij zelf doen. Je sluit geen compromissen, maar je ‘vertaalt’ het dossier naar hun eigen kader.”
Vaticaan
En wat is de rol van religieuze organisaties in de oppositie tegen homorechten? Is de Rooms-katholieke kerk niet een enorm obstakel, in Afrika en in Oost-Europa? Boris Dittrich: “Ik loop heel vaak tegen de religie op. Ik ben vorig jaar in Oeganda geweest, en heb gesproken met de minister, die verantwoordelijk is voor het strafbaar stellen van homoseksualiteit. Dan vraag je: waarom is dat zo? En dan is het antwoord: omdat wij een christelijk land zijn, en onze religie ons zegt dat homoseksueel gedrag een zonde is. Klaar.” Hoe zou je dat kunnen veranderen? Dittrich: “Nou, daar gebeurt wel wat. Wij hebben in juli bij HRW bezoek gekregen van de staatssecretaris voor mensenrechten van het Vaticaan. Die heeft duidelijk uiteengezet dat het weliswaar de leer van de Rooms-katholieke kerk is – en de overtuiging van de Paus – dat homoseksualiteit een zonde is, maar: dat zij tégen het strafbaar stellen van menselijk gedrag door wereldlijke autoriteiten is. Dus: de Rooms-katholieke kerk is tégen de strafbaarstelling van homoseksualiteit door de staat. Die minister in Oeganda weet dat niet en die bisschoppen en priesters daar ook niet. Die staan ‘s zondags in de kerk te zeggen: ‘Alle homo’s moeten aangegeven worden, want ze zijn zondig’.” Ook Scott Long ziet voorzichtige verbeteringen in Rome. Long: “Het Vaticaan ontwikkelt zich in de goede richting. Ze zijn duidelijk bezorgd – en een beetje beschaamd – over de mogelijke relatie tussen uitspraken van het Vaticaan en gevallen van geweld tegen homo’s, her en der in de wereld. Daar willen zij van af. Meer een matigende rol spelen. En daarbij: het is nooit alleen ‘religie’, waar je tegenaan loopt. Het is bovenal het politiek gebruik van religie en cultuur, een uiting van morele paniek over de veranderingen in de wereld, waardoor sex een slagveld is geworden tussen oost en west. Dat leidt tot arrestaties, tot martelingen, tot het verwoesten van levens; dat is uiteindelijk rampzalig voor het gewone leven van gewone mensen: dat je dagelijkse leven opeens een politieke zaak wordt.’ Boris Dittrich, Elke Liefde Telt. Voor gelijke rechten de wereld rond. Uitg. Nieuw Amsterdam, 350 pgs. Human Rights Watch: www.hrw.org.
Tekst: Koen Kleijn.














