GAYBY BOOM



Lodewijk Duijvesteijn@par31.nl
Wereldwijd geven steeds meer gays uiting aan hun kinderwens. Daarbij stuiten ze op een woest woud aan regelgeving, áls ze al mogen van hun regering. De stand van zaken in het gay ouderschap.

De Oostenrijkse modenicht Brüno, gespeeld door Sacha Baron Cohen, introduceerde het fenomeen zowaar wereldwijd: het nieuwste must-have accessoire, het liefst gehaald uit donker Afrika: de gayby. “Ever since Madonna went to Malawi it’s become the essential fashion accessory, dah-ling.”

Ongekende familiale expansiedrift

Natuurlijk berust Baron Cohens observatie dat gays opeens en masse aan het ouderen slaan, op meer dan alleen een onberispelijk stijlgevoel. Cijfers tonen aan dat er sprake is van een trend. In de Verenigde Staten heeft inmiddels 20 procent van de gay en lesbische stellen een kind van onder de 18 jaar. Dat heeft ertoe heeft geleid dat er een officiële term voor deze generatie van kids is bedacht: de gayby boom generation. Volgens Johann Hari, columnist van The Independent (UK), staat de homogemeenschap aan het begin van een ongekende familiale expansiedrift: kinderen krijgen is de laatste sport op de emancipatoire ladder, aldus Hari.

“Dit maakt deel uit van een langzame verandering binnen de homocultuur. In de twintigste eeuw streden we voor een plek waar we veilig anders konden zijn en een vleugje zelfrespect konden herwinnen. Na duizenden jaren aangehoord te hebben dat ons anders-zijn een ziekte was, hadden we even nodig om dat anders-zijn te vieren. Maar toen we dat bereikt hadden, veranderde ons doel. Toen we eenmaal de ruimte hadden, begonnen we te beseffen dat we juist heel erg op onze heteroseksuele broers en zussen lijken. We zijn net zo op zoek naar stabiliteit en willen net zo graag een gezin stichten als iedereen. “I Am What I Am” veranderde in “I Am What You Are”. We wilden zó gelijkwaardig zijn dat we alles konden krijgen wat hetero’s hebben. Het begon met de eis te mogen trouwen, en kinderen zijn dan de volgende stap. (…) Homo’s ruilen massaal en met plezier smoezelige nachtclubs in voor een kamer vol babyspuug thuis.”
De laatste emancipatoire stap is niet overal even eenvoudig te nemen. Zeker voor een gay, die in tegenstelling tot zijn lesbische zuster geen beschikking heeft over een baarmoeder. Waar lesbo’s naar de spermabank gaan, of een bevriende man om hun sperma vragen, moeten gay koppels uitwijken naar andere, juridisch vaak gecompliceerde, alternatieven.

Adoptie door homostellen, bijvoorbeeld, is slechts mogelijk in twaalf landen, waarvan tien in Europa (zie kader 1). In de Verenigde Staten is adoptie geoorloofd in veertien staten, terwijl in Australië slechts één territory adoptie door gay ouders erkent. Daarnaast zijn er landen of federale regio’s waar slechts bepaalde vormen van gay adoptie rechtsgeldig zijn. Daar kan een gay stel niet adopteren, maar is ‘stepchild adoption’ wél mogelijk: een partner adopteert het kind van de ander, dat hetzij biologisch is verwekt, hetzij reeds door adoptie in het gezin is opgenomen. Dan heb je nog het zogeheten ‘guardianship’, waartoe kan worden uitgeweken, maar waar geen rechten aan kunnen worden ontleend. Je kunt ook pleegouder worden, waarbij de staat het voogdijschap over het kind behoudt. De meeste gay koppels in gebieden waar homo-adopte is toegestaan, kiezen echter voor ‘second-parent adoption’. Hierbij heeft een ouder als ‘single parent’ reeds de verantwoordelijkheid over een adoptiefkind gekregen, en wil hij die ‘delen’ met zijn partner. De partner kan daar echter nooit dezelfde juridische rechten aan ontlenen.

Complex? Enorm. Toch worden er in de Verenigde Staten alleen al 270 duizend kinderen door gay koppels opgevoed, van wie zestigduizend zijn geadopteerd, da’s toch een kwart. Against all odds, kun je wel stellen.

Zelfde rechten?

Want waar we het hebben over homoadoptie, hebben we het over homorechten. Immers, adoptie hevelt alle juridische verantwoordelijkheid over het kind over aan de adoptieouders. Die krijgen daarmee dezelfde rechten als adoptieouders in een heteroseksuele setting. Niet zelden wordt de mogelijkheid om als homostel kinderen te adopteren daarom ingezet in een maatschappelijke discussie over gelijkheid tussen homo’s en hetero’s. En die discussie staat continu onder hoogspanning, ook in de landen waar de gelijkberechtiging wettelijk netjes is geregeld.

Neem Engeland. Door de Adoption and Children Act van 2002, toen ongetrouwde koppels en stellen van hetzelfde geslacht voor de eerste keer in staat werden gesteld te adopteren, is het aantal homoadopties in Engeland in twee jaar tijd verdubbeld. Nu de ervaringsverhalen op gang komen, blijkt dat er gaandeweg de adoptieprocedure nog veelvuldig op vooroordelen uit ‘the old country’ wordt gestuit. Cijfers uit het jaarverslag van het Adoptieregister voor Engeland en Wales tonen aan dat verhoudingsgewijs slecht half zoveel kinderen bij stellen van hetzelfde geslacht werden geplaatst als bij heteroseksuele stellen.

Adoptievader Peter McGraith spreekt over het adopteren van twee broertjes in The Guardian, oktober 2009: “Er waren veel vooroordelen in het adoptiesysteem, ook al is dat niet toegestaan en stelt de wet dat iedereen hetzelfde en met respect behandeld moet worden. Er zijn nog steeds individuen die maar moeilijk kunnen accepteren dat hun waarden en manier van denken niet aansluiten bij wat hun werk van hen vereist.”

Zo weigerden rooms-katholieke adoptiebureaus in Engeland hun diensten aan homo-ouders in spe, en wisten zich daarbij gesteund door de Conservative Party. Ondanks de Sexual Orientation Regulations 2007, waarin discriminatie op grond van seksuele geaardheid in verstrekking van goederen, faciliteiten en diensten, inclusief adoptie, verboden werd, bleven de katholieken zich beroepen op de uitspraak van het Vaticaan (2003) dat het “hoogst immoreel” was om kinderen in homogezinnen te plaatsen.

Wonder van (on)gelijkheid

In Europees verband kan een gezamenlijke consensus, gestut op de idealen van een Europa post-Tweede Wereldoorlog, wonderen doen. In 1986 kreeg een vrouw in het Franse Lons-le-Saunier te horen dat haar adoptieverzoek werd afgewezen omdat het kind binnen de lesbische relatie waarin de vrouw zich bevond, geen ‘ouderlijke referentie’ zou hebben. De zaak diende tot aan de Franse Hoge Raad, die de vrouw in het ongelijk stelde. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kwam er aan te pas om de uitspraak te verwerpen: het druiste in tegen het antidiscriminatieartikel 14 en artikel 8 in het kader van het privacyrecht, opgesteld in de Europese Vedrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens uit 1950. In Time was in 2008 de volgende analyse te lezen: “Het besluit is ongekend, niet alleen in de 27 landen van de Europese Unie, maar in alle 47 landen die de Raad van Europa vormen. Volgens homoseksuele en lesbische groepen maakt het mogelijk zaken aan te spannen in andere landen in Europa met vergelijkbare wetten als die van Frankrijk, maar het is nog lang geen allesomvattende regel die alle landen ertoe verplicht adoptie door homoseksuelen toe te staan.”

Landen als Nederland en België, waar het huwelijk voor homo’s sinds het begin van dit millennium is gelijkgesteld, spelen een Europese voortrekkersrol op het gebied van homorechten, terwijl het in het ‘liberale’ Nederland pas sinds 2008 mogelijk is om als homostel sámen een kind te adopteren – homoadoptie blijft diffuus terrein.

Hopelijk krijgt het Verenigd Europa na de bestendiging van het verdrag van Lissabon een eenduidiger sociaal-maatschappelijk gezicht. Dat is in toenemende mate noodzakelijk: in ‘nieuwe’ Europese landen van de Balkan en de Baltische staten zijn vrijwel alle vormen van homoadoptie verboden. Dat geldt overigens ook voor een traditioneel homofoob land als Italië, waar alleen het pleegouderschop door alleenstaande gays wordt toegestaan.

Angelina wel, Elton niet

Zelfs in de meest progressieve landen is het als homostel niet eenvoudig om te adopteren. De procedures zijn omslachtig, kosten veel tijd en stuiten via een omweg toch weer op homofobe verboden. De zogeheten ‘intercountry’ adopties maken de laatste jaren driekwart van het totale aantal adopties uit, maar moeten voldoen aan de regels die door het Haags Adoptieverdrag zijn opgesteld, ‘dat geschiktheid vereist voor adoptieouders, waarover ingestemd moet worden door zowel het land van oorsprong van het kind als het land waarin ze geadopteerd worden.’

Op dit moment zíjn er echter bijna geen ‘leverende’ landen die stellen van hetzelfde geslacht erkennen. Sommige landen, zoals China, Taiwan, Filippijnen en Hongkong, staan louter individuele adopties toe, Ethiopië behandelt alleen aanvragen die door een vrouw zijn gedaan. Van de weeromstuit wordt relatief veel bij adoptiebureaus in de VS aangeklopt; een Amerikaanse moeder die haar kind afstaat, mag zelf bepalen wie haar kind mag adopteren. De wachttijd voor een kind via een ‘intercountry’ procedure bedraagt voor een (heteroseksueel) koppel gemiddeld zeven tot acht maanden, voor een individu (de optie voor gays) loopt die op tot maar liefst drie jaar.

Dat Angeline Jolie ín- en met een kind aan haar arm úitvliegt, is dus niet bepaald voor gewone stervelingen weggelegd, en zeker niet voor homo’s. Zelfs Elton John werd door de Oekraïense instanties een hiv-weesje geweigerd, toen de 62-jarige zanger het land bezocht voor een anti-aidsproject. De minister van familiezaken Yuriv Pavlenko refereerde: “De wet is voor iedereen hetzelfde: voor een president, voor een minister, voor Elton John. Buitenlanders die vrijgezel zijn hebben geen recht om kinderen te adopteren (…) en het leeftijdsverschil tussen de adoptieouder en het kind mag niet meer dan 45 jaar bedragen.”

Het feit dat Elton John met zijn vijftien jaar jongere echtgenoot David Furnish samenleeft, werd nadrukkelijk ongenoemd gelaten.

De prijzen voor de gehele ‘intercountry’ procedure variëren enorm, Australië labelt het prijskaartje op 10.700 dollars. Dit is inclusief assessment – je moet van onbesproken gedrag zijn – en plaatsingkosten die de betreffende agency maakt, alle andere kosten voor visa et cetera komen hier nog bovenop.

Voor een homostel dat een kind wil adopteren in eigen land is, voor degenen die dat van hun regering mogen, zo niet nóg gecompliceerder. Het is vaak geen optie om een kind van jongs af aan op te voeden – daarvoor zijn er simpelweg te weinig jonge kinderen beschikbaar. Van de jaarlijks beschikbare 135.000 adoptiekinderen in de VS, wordt meer dan de helft vanuit een gezinssituatie geplaatst, onder hen slechts 15.000 baby’s. Adam Pertman, directeur van het Evan B. Donaldson Adoption Institute tegen ABC News: “Biologische ouders kiezen de nieuwe ouders, en dus kiezen ze meestal niet welbewust voor een homoseksueel stel. De meeste heteroseksuele stellen zijn niet per se homofoob, maar als ze niets ondernemen kunnen ze lang wachten.”

Adoptievader Peter McGraith, in The Guardian: “Je praat maandenlang met de maatschappelijk werker van je kind, en met degene die het gezin voor jullie heeft gevonden. Aanvankelijk zagen we slechts één foto van de jongens en lazen we een profiel van tweehonderd woorden, maar als het dichterbij komt, krijg je enorme documenten en bergen aan papieren. Dan ontmoet je wellicht een welzijnswerker, of een familielid dat positief tegenover de adoptie staat. Vervolgens zie je het kind misschien een uurtje, en de volgende dag een hele ochtend, en de volgende dag breng je het misschien naar bed of jullie gaan naar het park. Dus langzaam maar zeker leer je het kind kennen – misschien een paar dagen als ze klein zijn en een maand als ze ouder zijn, en op die manier vindt er een overgang plaats waardoor ze beginnen te begrijpen wie er verantwoordelijk is voor hun zorg. Die van ons duurde twaalf dagen. Onze jongens hechtten zich heel snel aan ons en dat was heerlijk, echt een prachtige tijd.”

‘Ze heeft jouw ogen!’

Maar veel gays willen biologische verwantschap met hun kind. Dan lijkt het draagmoederschap een alternatief. Bij het zogeheten ‘traditionele draagmoederschap’ wordt de draagmoeder kunstmatig geïnsemineerd door een van de twee gay mannen of een donor. De moeder krijgt minstens twee weken voor de inseminatie vruchtbaarheidsbehandelingen. Bij het draagmoederschap via reageerbuisbevruchting wordt het ei van de draagmoeder verwijderd, bevrucht door een van de twee homo’s die het stel vormen of door een donor, en vervolgens ingebracht bij de aanstaande moeder. Sommige stellen zoeken een eidonor (bij familie, vrienden of anoniem) en zoeken vervolgens een draagmoeder om het embryo bij te plaatsen. Anderen regelen dat de draagmoeder ook de eieren doneert. In alle gevallen biedt de draagmoeder haar diensten aan tegen een ruime vergoeding.

Voor die vergoeding, en de bemiddeling van een draagmoederbureau, zul je flink in de buidel moeten tasten: het kost zo’n 150 duizend dollar per jaar, in een proces dat doorgaans twee jaar in beslag neemt. “Nu meer mensen beseffen dat het mogelijk is, neemt de vraag wereldwijd toe,” zegt Gail Taylor, oprichter van Growing Generations, het bureau dat zich vanaf 1994 specifiek richt op draagmoederprogramma’s voor homo’s, tegen ABC News. “We krijgen duizenden telefoontjes per jaar uit twintig landen en nemen 250 tot 300 cliënten aan. Ongeveer 98 procent van de stellen kiezen voor reageerbuisbevruchting met een donor. Gemiddeld kan een stel erop rekenen na twee pogingen zwanger te zijn; ongeveer zestig procent is bij het eerste embryo ‘zwanger.’”

Draagmoederschap is verboden of beperkt in meerdere landen in Europa, zoals Nederland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Spanje en Zweden. Veel Europeanen wijken daarom uit naar de VS, waar bijna elke staat draagmoederschap als betaalde dienstverlening toestaat. Er is daar geen jurisprudentie bekend waarbij de voogdij in latere instantie is toegewezen aan de draagmoeder, zoals bij enkele schrijnende gevallen in de Benelux in recente jaren het geval was.

Toch is draagmoederschap ook in de VS een juridisch mank gaand vehikel, waarmee veel homopapa’s in spe de mist ingaan. Bureaus werken met draagmoeders vanuit heel de VS en denken daarin onvoldoende de juridische consequenties door. Zo kan het gebeuren dat een stel uit New York, waar draagmoederschap verboden is, in zee gaat met een bureau uit Californië, dat ze ‘matcht’ met een draagmoeder uit Ohio, waar dan ook de uiteindelijke juridische ‘overdracht’ plaats zal moeten vinden. Leg die situatie dan nog maar eens uit aan een onwelwillende beambte bij de burgerlijke stand…

Onder Professors

Ondanks alle moeilijkheden die gays op hun pad vinden als ze hun kinderwens najagen, lijkt de gayby boom niet meer te stuiten. En er komt hoe langer hoe meer steun uit wetenschappelijke hoek om die wens, in weerwil van de tegenstanders, maatschappelijk te schragen. Zo laat een recente studie door de Universiteit van Texas in opdracht van het Amerikaanse Adoption Quarterly, gehouden onder 1384 koppels met adoptiekinderen, waarvan 155 gay, er geen twijfel over bestaan. De kinderen werden gevraagd naar familiestructuren, de geschiedenis van het kind vóór de adoptie en zijn of haar huidige emotionele toestand. Scott Ryan, University of Texas School of Social Work: “De seksuele geaardheid [van de ouders] bleek geen rol bleek te spelen bij emotionele problemen, maar eerder zaken als leeftijd en seksueel misbruik vóór de adoptie. Ons onderzoek toont aan dat er geen verschil is tussen kinderen die zijn opgevoed door homoseksuele of lesbische ouders en heteroseksuele ouders. Mensen zijn mensen.”

Datzelfde blijkt uit data van de National Longitudinal Family Study (1986-2009), een onderzoek met een tijdsspanne van bijna een kwart eeuw, uitgevoerd door de Universiteit van Californië, San Francisco. De onderzochte kinderen van 79 homostellen hadden in de meeste gevallen een streepje vóór op leeftijdgenoten uit een traditionele gezinssituatie; ze bleken grotere waarde te hechten aan sociale rechtvaardigheid en positiever te staan tegenover maatschappelijke diversiteit. Onderzoekster Nanette Gartrell vertelt aan BBC News in augustus 2009: “Tegen de tijd dat de kinderen die we bestudeerd hebben tien jaar waren, toonden ze een groot besef van diversiteit en tolerantie, en begrepen ze de destructieve gevolgen van discriminatie.” Scott Ryan van de Universiteit van Texas verbindt een maatschappelijke verantwoordelijkheid aan de uitkomst, en geeft daarbij Amerikaanse staten als Florida een flinke sneer. Daar moeten aanstaande adoptieouders een document tekenen waarbij ze nadrukkelijk verklaren níet gay te zijn.Ryan: “We moeten rekening houden met cijfers die erop wijzen dat homoseksuele ouders net zo geschikt zijn om te adopteren als heteroseksuele ouders, want minstens 135.000 kinderen rekenen erop dat wij namens hen weloverwogen hun belangen behartigen.”

MOEILIJKE GEVALLEN

Wat dat betreft liegen de statistieken er niet om. Er zijn vele tienduizenden ‘moeilijk plaatsbare’ kinderen die om een adoptieouder zitten te springen. Uit het Britse National Adoption register valt op te maken dat gay adoptieouders sneller bereid zijn om een ouder kind, een gehandicapt kind of meerdere kinderen uit één gezin te adopteren. De ‘moeilijke gevallen’ dus, die vaak jarenlang vruchteloos op een adoptiegezin wachten. Een gay adoptieouder in The Observer, oktober 2009, verwoordt: “Wij vertegenwoordigen adoptieouders met een ander profiel. Als homo of lesbienne kun je je beter inleven in de ervaringen van deze kinderen, omdat ze in het leven een moeilijke start hebben gemaakt. Ze voelen zich anders en buitengesloten en zijn zich ervan bewust dat andere kinderen die ervaringen niet hebben gehad.”

Geadopteerd, of uit draagmoederschap: kinderen van homostellen zijn, om het in de woorden van Independent-columnist Johann Hari te vatten: “hartstochtelijk gewenst. Ze zijn per definitie gepland, met ouders die heel veel hebben moeten doorstaan en diep hebben moeten nadenken voordat ze in hun leven zijn gekomen. Vergelijk dat eens met de aantallen kinderen die nonchalant verwekt worden tijdens een wip van vijf minuten in een bushokje.”

Tekst: Sander Hiskemuller & Sara Luijters.
Featured image: Lodewijk Duijvesteijn.

 

Geplaatst op 09/09/11 door Winq Magazine
Geplaatst in Artikelen, Digest, Winq'd