BERGWANDELEN MET BEYONCÉ



JTEULINGS_NEPAL-5370

Als meest ultieme gay-bestemmingen denkt iedereen meteen aan plekken als: Sitges, Mikonos, South Beach, Fire Island of Ibiza. Toch hoort Kathmandu al bijna in dit beruchte lijstje thuis.  Over de Blue Diamonds, roze bergen en gore-tex in Nepal: gay-tourisme in Nepal is booming.

Roze prins

Ergens eind 2008 zat ik in de auto met aan het stuur een zachtaardige Indiase prins, Manvendra Singh Gohil. We waren onderweg van Bombay naar zijn roze paleis in Rajpipla. Echt, een roze maharadjapaleis. Hoe dat precies zat heb je destijds in Winq kunnen lezen, maar even in het kort: de hoogheid was het gezicht van de Indiase homobeweging geworden sinds hij geschiedenis had gemaakt door als het eerste lid van een koninklijke familie ooit uit de kast te komen. In 2008 waren homoseksuele handelingen nog strafbaar in India, wat onder andere aidspreventie hevig in de weg zat. Er liep een zaak bij het hooggerechtshof in Delhi om de betreffende bepaling uit het wetboek van Strafrecht te schrappen. In feite stonden de miljoenen Indiërs die afweken van de heteroseksuele norm machteloos tegen afpersing en mishandeling. De mediagenieke prins zette zijn koninklijk charisma in voor de goede zaak en reisde de hele wereld rond – met een in het oog springende tussenstop op de bank van Oprah – om zijn verhaal te doen.

We reden door de Indiase deelstaat Gujarat, over een van die Indiase wegen waar vee, olifanten en kinderen net zozeer onderdeel van het verkeer uitmaakten als toeterende vrachtwagens en heilige mannen met oranje baarden, toen de telefoon ging. De beller was Sunil Babu Pant, een openlijk homoseksueel lid van het Nepalese parlement en een persoonlijke vriend van de prins. Hij had goed nieuws. Het hooggerechtshof van Nepal had zojuist een uitspraak gedaan in het voordeel van de Blue Diamond Society, een Nepalese homorechtenorganisatie onder leiding van Pant. Hierin werd de door Maoïsten geleide regering van Nepal bevolen tot het opstellen van een wet die het huwelijk zou open stellen voor paren van hetzelfde geslacht.

Het plotselinge nieuws dat het kleine Hindoestaatje zijn grote Indiase broer voorbij was gestreefd was ontnuchterend voor de prins. Over het algemeen was hij vrij verlegen, maar als het op ‘zijn’ onderwerp aankwam verbazingwekkend fel uit de hoek komen. Toen de Indiase media hem begonnen te bellen voor commentaar, sprak hij ze onverholen hooghartig toe: “Het spijt me dit te moeten zeggen, maar Nepal is een veel volwassener land dat het onze. Als India nu niet vooruit treedt, zal het simpelweg een onderontwikkeld land blijven.”

Ik was verbijsterd. Dat zoiets überhaupt ter sprake was gekomen in Nepal was mij volstrekt ontgaan. Ik was nog maar net gewend aan het idee van een openlijk homoseksuele prins in Azië, laat staan een parlementslid en een homovriendelijk gerechtshof in een van de armste landen ter wereld. En nu waren het nota bene Maoïsten die zich gingen buigen over de legalisering van het eerste Aziatische homohuwelijk, terwijl aan de andere kant van de wereld, in de VS, net alle ophef over Proposition 8 was losgebarsten? De wereld op z’n kop. Ik moest naar Nepal.

Trouwen op de Everest

Nepal zou het eerste land in Azië worden met een gelegaliseerd homohuwelijk. Nu dat eenmaal besloten was, werd het ook breed uitgemeten en -gebuit. In de maanden die volgden werd het nieuws opgepikt door de internationale media. Er werd gesproken over homohuwelijken op Mount Everest, en ‘mijn’ Indiase prins had daar al interesse in getoond. De berg werd meteen maar uitgeroepen tot de nieuwe Brokeback Mountain. Sharat Singh Bhandari, de Nepalese minister van toerisme, lanceerde een marketingcampagne met als doel het aantal toeristen in Nepal in 2011 te verdubbelen. Hij richtte een brief aan de International Conference on Gay & Lesbian Tourism in Boston, waarin hij schreef: “Zoals de wereld weet is Nepal het land van Mount Everest, de hoogste bergpiek van de wereld en de geboorteplaats van Boeddha, het Licht van Azië. Ik zou daarom deze gelegenheid willen aanwenden om alle seksuele minderheden uit heel de wereld uit te nodigen en welkom te heten.”

Nou kun je daar cynisch over zijn, en opmerken dat elk land waarvan de economie zo zwaar op toerisme leunt als die van Nepal, vroeg of laat wel goesting krijgt in klinkende roze munt van de reislustige homodoelgroep. Tenminste, als er geen dominante, haatzaaiende Abrahamitische godsdienst de publieke opinie beheerst. Maar in Nepal wordt er niet met bijbels of korans gewapperd. Een paar vriendelijke gestes in de richting van de lokale homogemeenschap – geef ze een huwelijk of zo – en hup, cashen maar.

Een van die operators, de in Toronto gevestigde OUT Adventures, is gespecialiseerd in avontuurlijke reizen voor de homogemeenschap. ‘Avontuurlijk’ staat hier niet zozeer voor worstelen met krokodillen, maar voor alles dat buiten de comfort zone valt van de roze reiziger die een Caraïbische cruise of een winkelweekendje Parijs – Jan! Kijk! Ze hebben hier ook een Zara! – al heel spannend en exotisch vindt. Volgens de website biedt OUT Adventures “veilige, onbevooroordeelde reizen die het mogelijk maken om onszelf te zijn terwijl we ons blootstellen aan delen van de wereld die nog niet iedereen heeft gezien.” Vrij vertaald: “Hou je vast dames, we pakken de lokale bus.”

Wetgeving en publieke opinie zijn natuurlijk twee geheel verschillende dingen. Dus toen Robert Sharp, een van de oprichters van OUT Adventures, me uitnodigde om deel te nemen aan de tweede reis die door hem werd georganiseerd in Nepal, greep ik mijn kans. Ik wou graag Sunil Pant ontmoeten en was bovendien benieuwd hoe een groep reizende homo’s zou worden ontvangen in de Nepalese samenleving.

Enkele weken daarvoor had Robert zelf de eerste trip begeleid, en hij was vol vriendelijk advies over wat ik moest meenemen en wat ik kon verwachten. Een trektocht van vijf dagen met overnachtingen in tenten op grote hoogten, twee dagen raften over een ijzige rivier – er was goede reden waarom dat kleine icoontje van een metertje, dat alle reisplannen op de website vergezelde om te laten zien hoe ‘gay’ het was, bij dit reisplan uitsloeg richting ‘niet gay’. Dit is camp, gold de waarschuwing, maar niet zoals je het kent. Het was tijd voor een bezoek aan de Bever Sport.

Wollen ondergoed

Wist je dat er sokken bestaan die je een week kunt dragen zonder dat ze gaan stinken? Ik niet. Wollen ondergoed dat je kunt wassen en drogen op welke temperatuur je maar wenst, zonder dat het krimpt tot een stugge haarbal van enkele centimeters doorsnee? Magische handdoeken die alles kunnen drogen maar vrijwel niks wegen? Zijden binnenhoezen voor de slaapzak, hittepakketjes, jassen en broeken met meer gespen dan die Michael Jackson aanhad in de videoclip van BAD? Ik ben niet zo op winkelen maar ik begon er nu wel aardigheid in te krijgen. Totdat ik erachter kwam dat het allemaal geprijsd was alsof het tot de collectie van Louis Vuitton behoorde. Een vriend raadde me aan om het te houden bij het absoluut noodzakelijke en de rest te kopen bij aankomst in Kathmandu. “Je kunt daar alles voor een fractie van de prijs krijgen. Zo ongeveer elke winkel in Thamel, de toeristenbuurt, verkoopt outdoor spullen.”

En zo was het. Thamel is de eerste, onvermijdelijke halte voor de meeste reizigers in Nepal. Het verkeer is er alsof iemand er de Parijs-Dakar race heeft georganiseerd in de nauwe straatjes van een toeristengetto zonder het moderne gemak van stoepen. Voor voetgangers kan je geen stressvollere plek ter wereld bedenken. Toch had het zijn eigen charme: het was een van die vluchtige, stomende smeltkroezen waar internationale reizigers uit alle hoeken kwamen acclimatiseren, wennen aan de hoogte, en een laatste mocha konden bestellen voordat ze zich stortten in een woestenij van smerige instantkoffie. Ik bevoorraadde me er met goedkope outdoorspullen met scheefgestikte logo’s en goedkope medicijnen. (Oppassen met die Nepalese verkopers. Ik ging alleen wat reistabletjes halen en kwam terug met Valium en Viagra.)

Midden in Thamel stond een stoffig oud Ranapaleis waarin het Kathmandu Guesthouse was gevestigd. Het ontleende wat roem aan het feit dat de Beatles er een keertje zouden hebben overnacht; nu was de beurt aan de OUT Adventures groep. Ik werd er voorgesteld aan vijf homo’s en één lesbienne; een dokter, een boer, een bankier, een gepensioneerde sergeant, een accountant en een jurist. We hadden ons eigen land kunnen beginnen. Op de hysterisch secuur voorbereide accountant na had men al aardig wat reiservaring, en kon zichzelf prima redden.

Ik moet eerlijk toegeven dat ik een instinctieve hekel heb aan mensen die zich in groepen verplaatsen, maar we raakten snel bevriend, en ik besefte me dat ik mijn oordeel over groepsreizen, wat zeker wat gay groepsreizen betreft,  best eens mocht bijstellen. Het was duidelijk niet zo dat men gekozen had voor OUT Adventures omdat men bang was voor hetero’s of omdat men te stupide was om zelf een buskaartje te kopen in een vreemd land. Het idee om een tijdje met een groepje gelijkgestemden op te trekken had hen gewoon leuk geleken, en voor een bescheiden meerprijs was men verlost van het gedoe, en de incidentele eenzaamheid, van alleen reizen. En dat is best fijn als je op het punt staat om de Himalaya in te trekken.

We werden onderverdeeld in groepjes van twee kamergenoten en voorgesteld aan Prem, onze lieftallige leider-met-Boeddhaglimlach. Onderdeel van de filosofie van OUT Adventures is dat je in hotels overnacht die lokaal eigendom zijn, wordt rondgeleid door lokale gidsen, en dat je verder op zoveel mogelijke manieren de lokale economie steunt. Je eet bij lokale restaurants en reist in kleine groepen om als toerist je ecologische footprint zo klein mogelijk te houden. De reisagent waarmee men werkt in Nepal – Prems werkgever – was Himalayan Encounters, gevestigd in een kantoortje pal voor het Kathmandu Guesthouse. Het was een drukke plek vol goed geïnformeerde mensen die zich niet stoorden aan mijn constante gezeur, zoals “Hoe koud zal het zijn ’s nachts in een tentje in de bergen? Nee, echt, hoe koud zal het zijn?”

Per slot van rekening was het al november en tijdens de trektocht van vijf dagen zouden we in tenten slapen op een hoogte van 3000 meter. Het zou ijskoud worden. Mijn reistas was volgepropt met de eerdergenoemde magische sokken, wollen ondergoed en fleecetruien. En ik wou weten of ik nog ergens een donzen jas moest zien te huren. De sergeant, die met niet meer dan een piepklein rugzakje reisde, was al begonnen met snerende opmerkingen. Veel beter dan die hysterische accountant was ik nou ook weer niet.

We brachten de eerste paar dagen voor in de Kathmandu-vallei, waar we ontspannen wandelingen maakten langs rijstvelden, en lokale bussen pakten met evenveel passagiers op het dak als binnenin, waar het rook naar tweedehands-kledingwinkels. De Himalaya, een verre rij besneeuwde pieken aan de horizon, zag er een beetje blufferig uit, als de opgezette kraag van een Bollywoodster. We bezochten de stad Bhaktapur, de ‘Stad der Cultuur’ van Nepal, op een afstand van slechts 13 kilometer van Kathmandu. De straten vol UNESCO werelderfgoed zijn er een stuk rustiger, vol rituelen en tradities. We verbleven in een simpel hotel op een van de beste plekken van de stad, met uitzicht op de 18e-eeuwse gestapelde pagode die gewijd was aan de Hindoegodin van weelde en rijkdom. Ik stond er voor het ochtendgloren op om vanaf het balkon de stad te zien ontwaken; bij de pagode staken mensen waxinelichtjes aan en voerden simpele ritueeltjes uit onderweg naar hun werk. De tijd leek hier stil te hebben gestaan – maar gelukkig kon ik wel het wifi-signaal van het tegenoverliggende hotel oppikken.

De rest van de trip was voornamelijk gewijd aan sportieve activiteiten, ver weg van de drukke steden vol woedend knetterende motors en blaffende honden, middenin het verleidelijke landschap vol magnifieke bergpanorama’s dat Nepals voornaamste trekpleister is. Allereerst was er een rafting-trip van twee dagen over de razende Trisuli-rivier. Halverwege brachten we de nacht door in een kampement op de rivierbank, een prachtige locatie omringd door steile hellingen, toegedekt met laaghangende bewolking. Een lange hangbrug leidde naar een klein dorpje aan de overkant van de rivier, waar een gezellig restaurantje ons voorzag van diner en ontbijt. ’s Avonds mengden we ons onder een andere groep reizigers die min of meer dezelfde route aflegden (binnen de kortste keren werden ze onder ons ‘the straights’ genoemd en, zoals dat nu eenmaal gaat, werden ze vanaf afstand beoordeeld op latente homoseksuele neigingen.)

We maakten een korte stop in Pokhara, een stad die volledig leek te bestaan uit outdoorwinkels die dikke slaapzakken en wandelstokken aan de man brachten. Nadat we hier onze laatste bevoorradingen hadden ingeslagen en alle overtollige ballast uit onze tassen hadden achtergelaten in het lokale kantoortje van Himalayan Encounters, vertrokken we met een klein leger van dragers, een kok en twee gidsen. Onze trektocht van vijf dagen ging over de wat minder belopen routes van het Siklisgebied; we maakten geen gebruik van de in deze regionen gebruikelijke theehuizen voor accommodatie. In plaats daarvan zette onze nogal beschamend grote groep van ondersteunend personeel elke avond een tentenkamp op, inclusief toilet en –eettent. Daarna bereidde de kok verbazingwekkend uitgebreide maaltijden voor ons, die op een zeker moment zelfs een verse pizza met yakkaas omvatte. Jongens half zo groot als ik, die er niet veel ouder uitzagen dan zestien, zeulden alles, inclusief een volledig geoutilleerde keuken, bergop en bergaf. Onze rugzakken werden soms met wel drie tegelijk aan elkaar gesnoerd om vervolgens op de rug van één van de jongens te worden vervoerd. En nóg liepen ze ons ver vooruit, met niets anders dan simpele gymschoenen aan hun voeten. Geen bergschoenen en zéker niet die idiote wandelstokken die wij gebruikten. We staken er bij af als decadent en zwak, wat we natuurlijk ook waren. Op het hoogste punt van de trektocht, op 3000 meter, vertelde Prem ons dat we wat hem betreft nog niet eens op een berg waren. Dit was een heuvel. Bergen, was hij van mening, begonnen pas boven 5000 meter in Nepal. Kan zijn, dacht ik, maar ik woon zeven meter onder de zeespiegel. Ik had zojuist een berg beklommen en geen mens die me dat afnam.

Het enige wat me nog ontbrak was het uitzicht om het te bewijzen.  Het hele doel van trektochten is natuurlijk om één met de natuur te zijn en te genieten van spectaculaire vergezichten – bij voorkeur van het soort waarvan je foto’s maakt waar je vervolgens het thuisfront mee de ogen uit kunt steken. Dat werd ons maar mondjesmaat gegund. Lage bewolking belemmerde vrijwel constant het zicht op het pittoreske Annapurnamassief waar we bij alle reisbureautjes in Pokhara foto’s van hadden zien hangen. November zou eigenlijk de meest heldere maand moeten zijn, maar ach ja, het wereldklimaat is van slag en de hemelen bleven tot onze grote frustratie grijs en mistig. Alleen op de eerste twee ochtenden van de trektocht vielen er even gaten in het wolkendek en werd er – heel theatraal – een dramatisch vergezicht onthuld van hoge, statige bergpieken die erbij stonden alsof ze wachtten op applaus. En dan, net zo snel, viel het wolkendek weer als een doek over het tafereel. Toch maakte zelfs die korte blik op zoveel dramatische schoonheid het alle moeite waard.

Op de laatste dag van de trektocht verdween de bewolking grotendeels. Een afdaling van 3000 treden langs stoepa-vormige hooibergen en slaperige dorpjes leidde naar de warmte van een spectaculaire vallei. We volgden een rivier, soms door het midden, springend van steen naar steen, en doorkruisten het maanlandschap van een recente aardverschuiving die tijdens de vorige moesson had plaatsgevonden. Toen we langs een steile helling liepen, die vijftig meter boven ons uit torende, wezen de gidsen ons op een paar dozijn hangende bijennesten, waarvan de oppervlakten golfden met synchrone bijenchoreografieën – als waves op de tribunes van een voetbalstadion. Het was een onverwacht, bijna onwerelds schouwspel. Bijna net zo onwerkelijk was de bus die de volgende dag, schijnbaar uit het niets, in de rivierbedding verscheen. Die bracht ons uiteindelijk naar Pokhara, waar een vliegtuig van Buddha Air wachtte voor een 20 minuten durende vlucht terug naar Kathmandu. Dat scheelde niet alleen een volle dag onderweg, maar bood ook een uiterst bevredigend uitzicht op de pieken van de Himalaya.

Eenmaal terug in het Kathmandu Guesthouse eindigde het OUT Adventure. Tijdens ons laatste diner samen vertelde Prem dat hij de enige gids was die niet had geweigerd toen zijn werkgever vroeg wie er een groep homo’s zou willen begeleiden. In plaats daarvan had hij gezegd: ‘waarom niet?’. Toegegeven, dat was niet de meest enthousiaste reactie, maar dat was natuurlijk voordat hij zo’n groep had ontmoet. De wufte jongen die we ‘princess’ hadden genoemd, die zijn klimtochten opluisterde met een iPod vol Beyoncé en de gewoonte had saaie verhalen af te kappen met een bits ‘genoeg met de verhalen over St Olaf, Rose’; onze open gesprekken over seks; de discussies over naakte yoga; de Molton Brown Re-charge Black Pepper Body Wash die werd gebruikt bij het wassen in een bergbeekje – dat alles ten spijt waren de verschillen met de andere groepen uiteindelijk minimaal, vond Prem. En het mag gezegd worden dat hij overal vrolijk aan meedeed. Nu hij eenmaal twee gay groepen had begeleid, was hij er van overtuigd dat er geen probleem was. ‘Princess’ wist hem zelfs zover te krijgen dat hij overwoog een gay bar te openen in Kathmandu.

Lagere kaste

Onze groep had verder ook geen enkel probleem ondervonden tijdens de reis. Niet met de gidsen, dragers, hotelpersoneel – zelfs niet met de mensen in het dorp waar we een feestje binnenvielen waar we de boel kortstondig opleukten – en verbijsterden – met opzichtig zwiepende heupen. Maar goed, we waren toeristen uit rijke landen, ongevaarlijke gekken van ver buiten de sociale structuur van de Nepalese samenleving. Daaruit kun je geen conclusies trekken over het leven van lokale gays. In Kathmandu waren de meest zichtbare elementen van de LGBT-gemeenschap de zogenaamde meti’s, leden van het zogenoemde derde geslacht. Ze behoren als zodanig tot een kaste die onderdeel uitmaakt van een eeuwenoude Hindoetraditie – zo oud als de Kama Sutra. Het is bepaald geen kaste die veel respect geniet van de gemeenschap (of zichzelf) – nooit geweest trouwens. Meti’s worden verstoten door hun families en zijn voor hun levensonderhoud vaak aangewezen op prostitutie. Ze zijn regelmatig het slachtoffer van verkrachting, mishandeling door de politie. De publieke opinie sloeg om toen in 2004 bekend werd dat een politieman de keel van een meti had doorgesneden. Zelfs de conservatieve Nepalezen waren vervuld met afschuw. Protesten, sympathiserende media-aandacht en een internationale verontwaardiging zetten de regering onder druk.

Het ellendige voorval creëerde wél meer bewustzijn onder de Nepalese bevolking, wat de weg vrij maakte voor een uitzonderlijke vooruitgang, grotendeels dankzij de initiatieven van Sunil Babu Pant en zijn Blue Diamond Society. Zijn inzet heeft buitengewoon veel opgeleverd. Toen we elkaar eindelijk troffen, wou ik vooral graag weten of de sociale acceptatie in Nepal gelijke tred liep met de aanpassingen in het recht. Want een gunstige wetgeving omtrent het homohuwelijk is natuurlijk niet veel waard als je nog steeds uit de familie wordt geschopt als je met iemand van het gelijke geslacht trouwt.

“Van andere landen hebben we geleerd dat sociale verandering er veel langer over doet dan wettelijke, maar we hebben hier bevonden dat het juist andersom gaat,” vertelde hij. “Hier is het gerechtelijke bevel om tot wetgeving voor gelijke rechten te komen nog niet geïmplementeerd, maar de samenleving is werkelijk heel verwelkomend geweest. Er zijn bedrijven die met ons willen werken, die me hebben gevraagd om ze goed te keuren als gay friendly. De media hebben ons enorm gesteund en alle politieke partijen zijn actief bezig om LGBT-mensen te rekruteren. De lokale gemeenschappen en festivals nodigen LGBT-mensen uit en willen graag dat ze deelnemen. Dus dingen veranderen veel sneller dan ik verwacht had. Zelfs ik ben verbaasd.”

Dat betekent nog niet dat de Blue Diamond Society zal gaan stoppen met zijn inspanningen om de Nepalese maatschappij ontvankelijk te maken voor allerhande LGBT-onderwerpen. Het blijft daarin op verschillende manieren actief, maar een van de meest in het oog springende initiatieven is de integratie van Gay Pride met Gai Jatra, een 500 jaar oud religieus festival dat in de Kathmanduvallei wordt gevierd. “Gai Jatra is een festival ter herinnering aan de geliefden die in het voorgaande jaar zijn gestorven, en ondanks de associatie met de dood is er heel wat feestvreugde en pret. Jonge jongetjes moeten de processie van hun familie leiden verkleed als meisje. Dus een heleboel gays en transgenders houden erg van dit festival omdat ze zelfs als ze nog in de kast zitten, kunnen opdagen met make-up en verkleed als vrouw. Negen jaar geleden besloot de Blue Diamond Society het geheel uit de kast te trekken en het de Gaijantra gay pride te noemen. In 2010 hadden we bezoekers uit acht verschillende landen en een totaal van 15 duizend deelnemers. We noemden het onze eerste internationale gay pride. We hopen dat het volgend jaar nog meer toeristen zal trekken.”

Naschrift:
Interesse in Nepal of andere bestemmingen die worden aangeboden door OUT Adventures?  
Ga naar www.out-adventures.com.
Tekst en fotografie: Jurriaan Teulings
Geplaatst op 14/09/11 door Jeroen
Geplaatst in Artikelen, Digest, Reizen